God met de vele gezichten
Er was eens een marmeren troon
aan de poort in het oosten van een grote stad. Op deze troon zaten
duizend koningen die blind waren aan het rechteroog, en duizend
koningen blind aan het linkeroog, en duizend koningen met licht in
beide ogen. Allen riepen zij tot God dat Hij zich zou vertonen, zodat
zij Hem konden zien, maar allen gingen het graf in zonder dat hun wens
vervuld was.
Toen de koningen waren gestorven kwam er een arme man, barrevoets en
hongerig, en ging op de troon zitten.
'God', fluisterde hij, 'de mensenogen kunnen het niet verdragen
regelrecht naar de zon te kijken, want zij worden verblind. Hoe zouden
zij dan, Almachtige, regelrecht naar U kunnen kijken? Heb medelijden,
Heer. Temper uw kracht, wend uw heerlijkheid naar mij toe, opdat ik,
die arm en bedroefd ben, U moge zien!'
Toen...werd God een stuk brood, een beker koud water, een warme jas,
een hut, en voor de hut een vrouw, die haar kind liet drinken.
De man strekte zijn armen uit en glimlachte gelukkig. 'Dank U, Heer',
fluisterde hij, 'U hebt uzelf vernederd om mijnentwil. U werd brood,
water, een warme jas en mijn vrouw en zoon, opdat ik U zou kunnen zien.
En ik zag U.
Ik buig mij neder en aanbid uw geliefde gedaante met de vele
gezichten.'

God in de wereld
Op een goede dag stapte God het ziekenhuis binnen. Hij wandelde
onopvallend over een paar afdelingen, maar stond ten slotte voor een
hoofdzuster die zich een hoedje schrok en zenuwachtig zei: 'Zeg, weet U
wel dat het nu geen bezoekuur is? Maar zeg me eens eerst; hoe moet ik u
eigenlijk aanspreken?'
'Noem mij maar Vader', zei God, en dat klonk heel vriendelijk. 'Maar
mijn vader is verschrikkelijk autoritair', zei een jonge verpleger die
net voorbij kwam, 'en hij begrijpt mij helemaal niet. Ik kan beslist
niet met hem praten'. 'Tja', zei God, 'dat is vervelend. Weet je zeker
dat je zelf helemaal vrijuit gaat?... Maar, hoe dan ook, je mag ook
gerust Moeder tegen me zeggen, want zelfs al zou een moeder haar kind
verloochenen, ik laat jou nooit in de steek'.
'Mijn moeder heeft mij wel in de steek gelaten', zei een jeugdige
patiënte die in haar ochtendjas over de gang wandelde; 'ze is er met
een ander vandoor gegaan en ze hebben mij in een tehuis gestopt'.
'Onbegrijpelijk dat zoiets onder mensen voorkomt', zei God; 'en je bent
nog wel zo'n lief kind... Noem mij dan maar liefste, want ik wil alles
voor je zijn'.
'Jawel', zei een vrouw op de kamer naast de zusterspost, want ze had
alles gehoord, 'jawel, ik meende het zo, toen ik mijn man liefste
noemde, twintig jaar geleden. Maar nu snauwt hij mij af. Ik ben niet
meer dan z'n dienstmeisje en kinderjuffrouw'.
'Dan weet ik het ook niet meer'. zuchtte God, 'dan is er blijkbaar geen
mensennaam voor mij te vinden, waarmee iedereen mij zou kunnen noemen.
Aan het einde van de gang was er gerammel en een stem riep: eten'. 'Ik
moet opstappen', zei God. 'Maar u vroeg hoe u Mij moest aanspreken,
zuster. Zeg maar Vader of Moeder of Liefste of net wat uw hart u
ingeeft. U mag ook gewoon God tegen me zeggen. Het doet er niet toe,
als jullie maar proberen zoveel mogelijk waar te maken wat ik ben:
eenheid in verscheidenheid'. En weg was Hij.

Driemaal heb je God niet herkend
Met de winter voor de deur weegt het alleen zijn mevrouw Snelders
zwaar. Ze zou zo graag iemand te gast willen hebben voor wie ze kon
zorgen, met wie ze kon praten.
Op een nacht verscheen haar een engel. De engel vertelde dat ze bezoek
zou krijgen van een belangrijke gast. 'Wees attent en waakzaam', had de
engel gezegd.
De ochtend kon niet vroeg genoeg komen. Vol goede moed stond ze op en
begon haar huis schoon te vegen. Het was een bedrijvigheid. Plots
verstoorde de bel haar in haar werk. Dat is mijn gast, dacht ze en
rende naar de deur. Voor haar stond een man, sjofel gekleed, met een
lange vieze baard en een kapotte broek. Bij de aanblik moest ze haast
kokhalzen. De bedelaar vroeg een boterham. Mevrouw Snelders
verontschuldigde zich en zei: 'Ik verwacht een belangrijke gast' en
liet de deur in het slot vallen.
Na het vegen begon ze aan het klaarmaken van de maaltijd. Al snel siste
het vlees in de pan. En boven de keukengeluiden uit hoorde ze de
deurbel voor de tweede maal. 'Mijn gast', riep ze en stoof naar de
deur. Voor haar stond een keurige dame die een bijdrage vroeg voor
kansarme kinderen in ontwikkelingslanden. 'u komt ongelegen, ik heb het
druk', zei mevrouw Snelders. Met een klik sloot de deur.
Nu begon ze met het klaarmaken van de tafel. Ze blonk het zilveren
bestek op en schikte de tafel. En terwijl ze daarmee bezig was, ging de
deurbel voor de derde maal. De pastoor stond aan de deur. Hij vroeg
haar medewerking voor het secretariaat van de parochie. Ze had er nu
geen tijd voor.
's Nachts verscheen de engel opnieuw. Hij zei: 'Driemaal heeft iemand
bij je aangebeld en stond de belangrijke gast voor je. Tot driemaal toe
heb je God niet herkend.'

De moeder
De goede God had besloten om de moeder te scheppen.
Hij was er zeker al zes dagen mee bezig, toen een engel kwam en zei:
"Wat staat u daarmee toch uw tijd te verdoen?"
En God antwoordde: "Zeker, maar hebt ge al eens gelezen wat er allemaal
nodig is om een moeder te maken? Ze moet een groot hart hebben en open
armen, waarin iedereen zich geborgen voelt... ze moet honderdtachtig
beweegbare delen hebben, allemaal vervangbaar... ze moet koffie kunnen
zetten, voordat de dag begint... ze moet een kus kunnen geven die alles
kan genezen; van een gebroken been tot liefdesverdriet toe... zes
handen".
De engel schudde het hoofd en herhaalde ongelovig: "Zes paar handen?"
"Och" zei God, "de handen zijn niet zo moeilijk, maar een mama moet ook
drie paar ogen hebben".
"Zoveel", vroeg de engel verbaasd.
En God knikte. "Ja, één paar om dwars door gesloten deuren te kijken
als ze vraagt: "kinderen wat doen jullie daarbinnen?", ook als ze heel
goed weet, wat ze aan het doen zijn. Een tweede paar in het achterhoofd
om te zien wat ze niet mag zien, maar toch moet weten. En dan nog een
derde paar, om aan het kind dat iets misdaan heeft zwijgend te zeggen:
"ik begrijp het, wees maar gerust."
"Maar Heer", zei de engel, hem bij de arm nemend. "ga slapen, morgen is
er ook nog..."
"Geen sprake van", antwoordde God, "trouwens ik ben bijna rond. Ik heb
er al één gemaakt die vanzelf geneest als ze ziek is, die een maaltijd
voor zes personen kan gereed maken met één kilo gehakt en die een
jongen van negen jaar onder de douche kan houden".
De engel draaide langzaam, om het model van de moeder heen, en
onderzocht het aandachtig.
"Ze is veel te zacht", besloot hij met een zucht.
"Maar ze is taai en stevig", verdedigde God met klem. "Ge hebt er geen
idee van wat zo'n mama kan doen en kan verdragen".
"En kan ze ook denken?", vroeg de engel.
"Dat niet alleen, ze kan ook uitstekend gebruik maken van haar verstand
en een oplossing vinden voor alles en nog wat," antwoordde de Schepper.
Toen boog de engel zich nog eens over het meesterwerk en streek met één
vinger over haar wang.
"Hier is iets fout gegaan!", stelde hij vast.
"Toch niet, dat is geen fout", verbeterde de Heer, "dat is een traan".
"En waar dient die voor?" wou de engel weten.
"Om vreugde uit te drukken, pijn, eenzaamheid, maar ook voldoening en
fierheid".
"Maar Heer", riep de engel uit, "U bent een genie!"
Met een glimlach merkte God op: "Om u de waarheid te zeggen, Ik was het
niet die deze traan aanbracht, het waren de kinderen".

God en Eva
"God, ik heb een probleem".
"Wat is het probleem, Eva?"
"Ik weet dat jij me schiep en dat je deze prachtige tuin voor mij
voorzag met al die wonderlijke dieren en zelfs een hilarische komische
slang, maar ik ben gewoon niet gelukkig."
"En waarom ben je niet gelukkig?"
"God, ik ben alleen en ik verveel me, en ik ben die appels meer dan
beu!"
"Wel, Eva, in dat geval heb ik een oplossing voor jou. Ik zal een man
voor je scheppen."
"Een man? Wat is dat, God?"
"Een laf schepsel, met veel slechte gewoontes. Hij zal liegen,
bedriegen en ijdel zijn. Hij zal achterlijk zijn en zal zich met
kinderachtige dingen bezighouden. Hij zal groter zijn dan jij en hij
zal willen vechten, jagen en dingen doden. Hij zal niet zo slim zijn,
dus zal hij jouw hulp nodig hebben om goed te kunnen denken. Hij zal
een zeer beperkte emotionele capaciteit hebben en hij zal hierin moeten
getraind worden. Hij zal een beetje stom lijken eens hij hier is, maar
omdat je zo klaagt zal ik hem scheppen op zo'n manier dat hij in jouw
lichamelijke noden zal voorzien. En dan zal je je zeker niet meer
vervelen!"
"Dat klinkt goed", zegt Eva, met haar wenkbrauwen ironisch opgetrokken.
"Maar waar zit het addertje onder het gras?"
"Wel… je mag hem hebben onder één voorwaarde"
"En die is?"
"Zoals ik al zei, hij zal trots zijn, arrogant en narcistisch… dus zul
je hem moeten doen geloven dat ik hem eerst maakte. En dat zal dan ons
kleine geheimpje zijn. Je weet wel, van vrouw tot vrouw".

Het verhaal van de schepping
In het begin was de fantasie!
De fantasie was bij God,
de fantasie wás God.
En Gods ongebreidelde fantasie
bracht het heelal op gang:
de mateloze ruimte met al zijn planeten,
met de gloeiende zon, de maan en de sterren.
Met licht en donker werkte God,
met kleuren en tinten.
En God kreeg plezier in zijn werk.
Toen nam God een rib
uit het gloeiende lijf van de zon,
en Hij maakte daarvan een nieuwe planeet
die Hij 'aarde' noemde.
Hij liet de zon erop schijnen
en wolken liet Hij vruchtbaar regenen.
Er kwam leven op de kleine aarde:
velden van groen en daar tussen de bloemen en de bomen.
Toen kwamen de dieren:
ze vlogen in de lucht
en ze zwommen in het water.
En God kreeg steeds meer plezier in zijn fantastisch werk.
Daarna schiep God de mensen.
Toen kwam God op een idee.
Zou hij het durven aan mensen zijn fantasie toe te vertrouwen?
Zou Hij het durven om mensen
verder te laten gaan met alles wat Hij begonnen was?
En God waagde het erop.
Hij zei tegen de mensen:
Volbreng mijn fantasie,
mijn onvoltooide schepping.
Maak mijn wereld tot een bewoonbaar huis.
Verander de rotsen in bronnen en vijvers,
verander de stenen in helder water,
verander het water in wijn voor iedereen,
maak goed wat nu nog niet af is,
breng alles thuis wat naar mij onderweg is.
Bewaar mijn fantasie, maak alles nieuw!

De nieuwe schepping
In de moderne tijd herschiepen de geleerden en de politici hemel en
aarde
want de aarde was een puinhoop, de wereld een chaos,
en de geleerden en politici zeiden: laat ons orde scheppen;
en zij verdeelden de wereld in tweeën: het blanke westen en de donkere
rest,
en zij vonden dat het zo goed was, en het werd avond en morgen: de
eerste dag.
En de geleerden en politici zeiden: laat ons de welvaart goed verdelen;
zij dekten de tafel in het westen en gaven de kruimeltjes aan de rest;
en zij vonden dat het zo goed was, en het werd avond en morgen: de
tweede dag.
En de geleerden en politici zeiden: er moet groen zijn op de aarde,
en zij zaaiden tarwe en andere gewassen in het westen
en ze kapten de bossen en de regenwouden in het zuiden en vonden dat
het zo goed was, het werd avond en morgen: de derde dag.
En de geleerden en politici zeiden: er moet licht zijn, dag en nacht,
en ze bouwden kerncentrales en kolencentrales en 's nachts bleef het
licht branden, want er moest geld verdiend worden.
Ze zagen dat het uitstekend werkte, het werd avond en morgen: de vierde
dag.
En de geleerden en politici zeiden: dieren moeten de aarde bevolken,
en ze maakten legbatterijen voor de kippen en zetten koeien en varkens
bijeen in grote stallen,
en ze zagen dat het goed was voor de economie;
het werd avond en morgen: de vijfde dag.
En de geleerden, en politici zeiden: laat ons nu dé mens maken,
de wetenschappelijk verantwoorde mens en zij maakten de mens en zeiden
hem:
geniet van het leven en maak het je zo gemakkelijk mogelijk,
denk eerst aan jezelf, delen met anderen is nergens voor nodig.
Toen werd het avond en begon het heel donker te worden.
En op de zevende dag
op de zevende dag, vrienden, wordt gemaakt
wat wij willen maken , als we tenminste niet gaan rusten
om bewonderend te kijken naar wat er gemaakt is
op de zes voorafgaande dagen.
wat er op de zevende dag gebeurt, hangt af van onszelf.

De nieuwe schepping 2
In de moderne tijd herschiepen de geleerden en de politici hemel en
aarde want de aarde was een puinhoop en er lag olie op de wateren, en
de geleerden en politici zeiden: laat ons orde scheppen; en zij
verdeelden de wereld in tweeën: het blanke westen en de donkere rest,
en zij vonden dat het zo goed was, en het werd avond en morgen: de
eerste dag.
En de geleerden en politici zeiden: laat ons de welvaart goed verdelen;
zij dekten de tafel in het westen en gaven de kruimeltjes aan de rest;
en zij vonden dat het zo goed was, en het werd avond en morgen: de
tweede dag.
En de geleerden en politici zeiden: er moet gezaaid worden op aarde; en
zij zaaiden tarwe en andere gewassen in het westen en bommen en
granaten in het oosten; en vonden dat het zo goed was, het werd avond
en morgen: de derde dag.
En de geleerden en politici zeiden: dieren moeten de aarde bevolken, en
zij maakten dieren, ieder naar hun soort: kanonnen, tanks en
pantserwagens, ieder naar hun soort, en onderzeeërs, naar hun soort, en
zij zagen dat ze van pas kwamen; het werd avond en morgen: de vierde
dag.
En de geleerden en politici zeiden: wij kunnen het niet houden zo,
laten wij vogels maken; en zij maakten straaljagers, bommenwerpers en
raketten, ieder naar hun soort; en zij vonden dat het zo goed was, het
werd avond en morgen: de vijfde dag.
En de geleerden en politici zeiden: laat ons nu dé mens maken, de
wetenschappelijk verantwoorde mens en zij kloonden de mens en
programmeerden hem als consument en zeiden hem: wees economisch en
pragmatisch, beheers de wereld en wees de baas over je medemensen. Toen
was het avond geweest en begon het zeer donker te worden.
En op de zevende dag, op de zevende dag, vrienden, wordt gemaakt wat
wij willen maken als we tenminste niet gaan rusten om bewonderend te
kijken naar wat er gemaakt is op de zes voorafgaande dagen. wat er op
de zevende dag gebeurt. hangt af van onszelf.

Geef God zijn deel
Een pastoor, dominee en rabbijn vertellen elkaar hoe ze het geld
verdelen dat is opgehaald uit de geloofsgemeenschap. De pastoor trekt
een lijn op de kerkvloer en gooit het geld op. Alles wat over de lijn
valt is voor God, de rest voor hemzelf. De dominee doet iets
soortgelijks: hij trekt een cirkel, en alles wat erbuiten valt, is voor
God. De rabbijn, tenslotte, gooit alles gewoon de lucht in: alles wat
God kan vangen mag Hij houden.
Meneer Professor
Er was eens een meestersmid die een ijverig en vakbekwaam man was, maar
die wel een erg hoge dunk had van zijn eigen kunnen. Wie hem niet met
de titel 'Meneer Professor' aansprak, hoefde niet te verwachten dat hij
antwoord kreeg.
Op een goede dag verschenen Jezus en de heilige Petrus in zijn
werkplaats. "Meneer Professor," zei Jezus, "wilt u mij wel toestaan
iets te maken in uw werkplaats?"
"Als dat alles is," antwoordde de smid. "Wat wilt u dan maken?"
"Dat zult u wel zien."
Jezus greep een tang, pakte daarmee zijn apostel vast en hield hem in
het smidsvuur tot hij roodgloeiend was. Daarop haalde hij hem er weer
uit en begon lustig op zijn werkstuk los te hameren. In een handomdraai
was de oude, kale Petrus veranderd in een flinke jongeman met een
weelderige haardos.
Sprakeloos van verbazing stond de smid als aan de grond genageld,
terwijl zijn beide bezoekers beleefd afscheid namen. Uiteindelijk kwam
hij weer bij zijn positieven en rende hals over kop naar boven, waar
zijn zieke oude vader in bed lag.
"Vader, kom snel. Ik heb zojuist geleerd hoe ik weer een gezonde,
sterke jongeman van je kan maken!"
"Ben je soms gek geworden?"
"Geloof me toch. Ik heb het met eigen ogen gezien."
Toen de oude man zich hardnekkig bleef verzetten, sleepte zijn zoon hem
naar beneden de werkplaats in. Daar hield hij hem in het gloeiende
smidsvuur, maar alles wat hij er na enige tijd uithaalde, was een
verkoolde klomp vlees, die onder de slagen van zijn hamer tot gruis
uiteenviel.
Eindelijk begon het de smid te dagen wat hij had aangericht. Hij rende
naar buiten om de twee vreemdelingen te zoeken en trof hen tot zijn
opluchting nog aan op het marktplein. "Heren, wat hebben jullie me
aangedaan! Ik wilde het ook proberen en nu heb ik mijn bloedeigen vader
verbrand. Ik smeek jullie, kom me toch helpen, als dat tenminste nog
mogelijk is."
"Ga rustig naar huis," antwoordde de Here God. "Daar zul je je vader
gezond en wel aantreffen."
En tot zijn onuitsprekelijke vreugde was dat ook zo.
Sinds die dag was het gedaan met de hoogmoed van de smid. Als iemand
hem nog eens aansprak met 'Meneer Professor', dan riep hij: "Ach, schei
toch uit met die onzin. De rijke heren wonen in Venetië, de knappe
professoren in Padua en ik ben maar een doodgewone prutser."

Twee monniken
Er waren eens twee monniken, ze trokken de bergen in, hoe langer hoe
hoger, op zoek naar God, Op een gegeven moment zagen ze geen mensen en
geen huizen meer. Alleen nog vogels. En één van de vogels werd verliefd
op hen. Hij bleef bij hen, ook toen het koud werd en winter. Hij
dreigde te bevriezen.
De ene monnik zei:
'Vaarwel dan, lief vogeltje, het spijt me wel, maar ik moet hogerop,
naar God.'
De andere monnik zei:
'Schiet op jij, weg, anders moet ik je nog naar beneden dragen,' Maar
ondanks zijn gevloek bleef de vogel. Ten slotte bracht hij dat rotbeest
naar beneden, naar het warme dal.
En toen hij dat deed, droeg hij ineens God in zijn handen.
Zoektocht naar God
Er was eens een jongen die God wilde ontmoeten. Hij wist dat hij een
lange reis moest maken om op de plek te komen waar God woonde, en dus
stopte hij zijn koffer vol met koekjes en blikjes limonade. Toen hij
een stuk had gelopen, zag hij een oude vrouw. Ze zat op een bank in het
park de duiven te voeren. De jongen ging naast haar zitten, en opende
zijn koffertje. Hij wilde net wat limonade gaan drinken, toen hij zag
dat de vrouw er hongerig uitzag. Hij bood haar een koekje aan. Ze nam
het dankbaar aan en glimlachte naar hem. Ze had zo'n prachtige
glimlach, dat die jongen die opnieuw wilde zien en dus bood hij haar
een blikje limonade aan. En weer glimlachte ze naar hem.
De jongen was verrukt! Ze bleven er de hele middag zitten eten en
glimlachen, zonder een woord te zeggen. Toen het donker werd, besefte
de jongen pas hoe moe hij was en hij wilde naar huis gaan. Hij stond
op, maar toen hij een paar stappen had gezet, keerde hij zich om en gaf
de oude vrouw een stevige omhelzing. Ze beantwoordde de omhelzing met
de mooiste glimlach die hij ooit had gezien.
Toen de jongen thuis kwam was zijn moeder verbaasd over de vreugde die
van zijn gezicht straalde. 'Hoe komt het dat je zo blij bent?' vroeg ze
hem.
'Nou, ik heb vanmiddag met God gegeten.'
En voordat zijn moeder iets kon zeggen, voegde hij er aan toe: 'Weet je
dat God de mooiste glimlach van de hele wereld heeft?'
Intussen was de oude vrouw ook thuisgekomen. Ze straalde van vreugde.
Haar zoon verbaasde zich over de vredige blik op haar gezicht. 'Hoe
komt het dat je zo blij bent, moeder? Ze antwoordde: 'Ik heb in het
park koekjes gegeten met God.' En voordat haar zoon kon antwoorden,
voegde ze eraan toe: 'Hij is veel jonger dan ik dacht'.

Het lam
Kort na de schepping waren alle dieren gelukkig en tevreden. Op eentje
na; dat dier was treurig en teleurgesteld. Dat dier was het lam. De
schepper merkte de teleurstelling bij zijn schepsel en vroeg: wat
mankeert er aan? Waarom zijn alle schepselen zo vrolijk en laten ze
opgetogen van zich horen en ben jij zo zwijgzaam en bedroefd?
Ach, mijn God, als ik het zeggen mag, waarom ben ik zo'n uitzondering
tussen die duizenden anderen? Waarom gaf u mij niet, zoals de andere
dieren een schild en wapen om me te verdedigen. Immers, de één heeft
spitse horens, de ander scherpe klauwen, weer een ander een krachtige
slurf of een gevaarlijke slagtand. Maar ik heb niets. Zoveel andere
dieren kunnen wegvliegen, omhoog klauteren, wegduiken in de diepte van
de zee, of vliegensvlug rennen. Maar wat kan ik?
God hoorde het klagen van het hulpeloze lam welwillend aan en zei: dan
mag je een wens doen. Kies maar of je klauwen wilt, of scherpe tanden
of wat ook maar om tegenstanders te verscheuren of te verjagen.
O nee, zei het lam, dat wil ik niet. Ik wil niemand leed toebrengen,
laat staan doden. Maar misschien wilt u mij dan die wapens geven die
mij helpen om het leed dat mij wordt toegebracht te kunnen vergeten, om
mijn lijden dragelijk te maken.
Dat is een verzoek dat ik niet kan weigeren, sprak God. Ik zal je de
drie krachtigste wapens geven, waardoor je in tegenspoed niet
ongelukkig zult zijn en zelfs in staat bent om het grootste kwaad te
overwinnen. Dit zijn jouw wapens: zachtmoedigheid, toewijding en
geduld.
