De prins en zijn schaduw (Willi Hoffsümmer; Kurzgeschichten 1)
Een sprookje: Een rijke prins hield van mooie kleding, gouden gespen en
kostbare ringen. Zo opgemaakt vertoonde hij zich alleen 's morgens,
wanneer de zon op zijn aangezicht scheen, aan zijn volk, en hij was
gelukkig als alles fonkelde en glansde en de mensen hem toejuichten.
Eens trad te prins op een late namiddag voor zijn volk. De zon stond in
zijn rug, en de jonge man zag voor de eerste maal zijn eigen schaduw.
Toen ontstak hij in een ontembare woede. Direct liet hij zijn paard
zadelen. Hij wilde weg. Als prins kon hij niet in een land heersen,
waarover zijn schaduw viel. Hij wilde daar leven, waar geen schaduw is.
Zo reed hij weg. En hij rijdt nog steeds.
De twee kluizenaars (van 'Kahlil Gibran)
Op een eenzame berg woonden twee kluizenaars, die God dienden en elkaar
liefhadden. Nu bezaten deze twee kluizenaars één aarden schaal, en dit
was hun enige bezit. Op zekere dag drong een kwade geest het hart van
de oude kluizenaar binnen en hij ging naar de jongste toe en zei:
'Reeds lang hebben wij hier samen geleefd. De tijd van scheiden is
gekomen. Laten we onze bezittingen verdelen.'
De jongere kluizenaar was zeer verslagen en hij zei: 'Het spijt me heel
erg, broeder, dat je me verlaten gaat. Maar indien je moet gaan, laat
het dan zo zijn.' Hij haalde de aarden schaal en zei: 'Wij kunnen haar
niet verdelen, broeder, behoud jij haar.'
Daarop zei de oudere: Liefdadigheid wil ik niet. Ik wil niet meer dan
het mijne. Zij moet verdeeld worden.'
De jongere zei: 'Indien de schaal gebroken wordt, van welk nut zal ze
dan zijn voor jou of mij? Indien het je behagen kan, laten wij dan
liever het lot werpen.'
Maar de oude kluizenaar zei opnieuw: Ík wil enkel, dat er recht gedaan
wordt, en alleen het mijne aanvaarden, en ik wil noch het recht noch
mijn eigendom wagen aan een kans. Die moet verdeeld worden.'
Toen kon de jongere kluizenaar geen redenen meer zien en hij zei: 'Zo
dit inderdaad je wens is. en je dit inderdaad verlangt, laten we dan nu
de schaal breken.'
Maar het gelaat van de oudere kluizenaar werd nog duisterder en hij
schreeuwde: 'Vervloekte lafaard, je wilt niet vechten.

De wolf en het lam (een fabel van Aesopus)
Een wolf en een lam kwamen bij dezelfde beek om hun dorst te lessen. De
wolf stond wat hogerop aan de beek, het lam een stuk lager. Toen zocht
de rover, gedreven door een schandelijke vraatzucht, ruzie met het lam.
"Waarom," zo zei hij, "hebt jij het water, dat ik wilde drinken,
troebel gemaakt?" Het lam antwoordde schuchter: "Hoe zou ik, o wolf,
gedaan kunnen hebben, waarover jij zo klaagt? Het water stroomt immers
van jou naar mij toe?"
De wolf, getroffen door de kracht van dit betoog, antwoordde: "Zes
maanden geleden hebt jij mij beschimpt." "Toen was ik nog niet
geboren," merkte het lam op. "Bij Hercules," zei de wolf, "als jij het
dan niet was, dan was het jouw vader." En hij verscheurde het lam, dat
op deze wijze onschuldig moest sterven.
De leeuw en zijn raadsleden
Lang geleden leefde er een leeuw die drie raadsleden had: een wolf, een
jakhals en een raaf. Koning leeuw regeerde en jaagde, zijn raadsleden
adviseerden hem en aten alles wat de leeuw hen gaf. Allemaal waren ze
tevreden.
Op een dag kwam een kameel aan in het koninkrijk. Koning leeuw had nog
nooit zo'n dier gezien en was nogal nieuwsgierig. "Wie ben je en wat
zoek je hier vreemdeling?" vroeg de leeuw. "Ik ben een kameel en ik
zoek bescherming," was het antwoord. De leeuw vond hem wel aardig en
zei: "Blijf bij ons als een gast. Je zal hier veilig zijn." De kameel
aanvaardde de uitnodiging met plezier en bleef van toen af aan bij de
leeuw.
Maar op een dag werd de leeuw verslagen door een olifant. Gewond lag
hij op de grond, hij kon zich niet meer bewegen en dus ook niet meer
jagen. De raadsleden die van de leeuw afhankelijk waren voor hun
voedsel, kregen honger. "Wat zullen we doen?" vroegen ze elkaar. "We
zullen nooit zelf kunnen jagen," gaapte de luie wolf. "Laten we de
kameel opeten," stelde de jakhals voor. "De koning zal dat nooit
goedvinden," zei de wolf, "de kameel was zijn gast." - "Laat mij hem
ompraten," zei de raaf en vloog naar de koning.
"Oh, machtige heerser," sprak hij, "we zijn bezorgd om u. U eet en
drinkt niets en we zijn bang dat u zo zal sterven van zwakheid." - "Je
hebt gelijk," antwoordde de leeuw, "maar wat kan ik doen als ik zelf
niet kan jagen?" -
De raaf smeedde met de andere twee raadlieden een complot. Hij vertelde
hen wat ze moesten zeggen en hoe ze het moesten zeggen. Toen vroegen ze
de kameel om met hen mee te gaan op bezoek bij de koning.
Toen ze bij de koning waren aangekomen, nam de raaf als eerste het
woord. "Oh, allermachtigste koning," vleide hij: "Ik zie dat u zal
sterven van zwakheid als u niets eet. Maar wij, uw dienaars, geven onze
levens voor u. Eet mij en wordt weer sterk." Nog voor de raaf
uitgesproken was riep de jakhals: "Nee, machtige koning, de raaf heeft
maar weinig vlees onder zijn veren en het zal u niet smaken, neem mijn
vlees." Nog voor de jakhals was uitgesproken huilde de wolf: "Nee,
waardevolste koning, de jakhals is niet schoon, zijn vlees zal u
schaden, eet mij toch."
Maar toen begonnen de raaf en de jakhals door elkaar te schreeuwen.
"Nee, nee, neem het wolvenvlees ook niet, het zal u geen goed doen."
De kameel had staan luisteren en dacht: "Dit is mijn kans om de koning
mijn dankbaarheid te tonen, maar hij zal het nooit goed vinden."
Zodoende sprak de kameel tegen de koning: "Oh, heerser, als u geen
wolvenvlees, ravenvlees of jakhalsvlees kunt eten, neem dan mijn vlees."
Toen spraken de wolf, de raaf en de jakhals als één stem: "Ja koning,
neem hem als maaltijd," en ze sprongen allemaal op de kameel en
verscheurden hem.

Het feestmaal van Djha
Djha had vele rijke vrienden en hij zorgde ervoor dat hij elke dag wel
voor een feest of een bijeenkomst werd uitgenodigd. Zijn vrienden
hadden meer dan genoeg van zijn opdringerigheid en op een avond, toen
ze allemaal bijeen waren, besloten ze om hem eens een lesje te leren.
Allen hadden ze Djha wel eens uitgenodigd, maar niemand was ooit door
Djha uitgenodigd en daar wilden ze verandering in brengen. Ze zorgden
ervoor dat ze allemaal bij Djha thuis uitgenodigd werden voor het eten.
Djha ging akkoord, maar op één voorwaarde: ieder moest zijn mooiste
kleren aantrekken.
Welnu, ze deden wat Djha gezegd had en kwamen allemaal mooi uitgedost
bij hem thuis. Bij de ingang had Djha een stapel tassen klaargelegd en
voordat ze de kamer binnenmochten, moest iedereen zijn kleren uitdoen.
Djha stopte de kleren in de tassen, ging ermee naar de souk (markt) en
verkocht alles. Omdat het mooie kleren waren kreeg hij er veel geld
voor. Voor het geld deed hij inkopen voor de maaltijd. Hij kocht
allerlei heerlijke dingen en daarna ging hij naar huis terug.
Toen ze eenmaal aan tafel zaten zei Djha: Ik heet jullie allen van
harte welkom. Jullie zijn mijn gasten en weet wel, dat jullie alleen
eten wat jullie toekomt. De vrienden waren blij en hadden veel pret bij
het eten.
Ze meenden dat Djha er goed aan had gedaan hen uit te nodigen en hun
dit heerlijke maal voor te zetten. Toen ze na het eten wilden weggaan
en hun kleren weer wilden aantrekken, merkten ze dat die waren
verdwenen. Ze vroegen Djha waar hij hun kleren had gelaten en Djha
antwoordde: "Ik heb ze allemaal verkocht. Ik heb jullie gezegd dat
jullie alleen zouden eten wat jullie toekomt en wat jullie toekomt zijn
jullie kleren."

Het spinnenweb
Er was eens een spin die een mooi spinnenweb had gemaakt. Opdat ze meer
vliegen zou kunnen vangen weefde ze haar web steeds vérder naar alle
kanten en steeds hoger in de lucht Het werd een prachtig web. Als het
op een zonnige morgen vol met dauwdruppels hing, leek het wel een met
parels versierde sluier. De spin was er trots op. Ze was niet meer dat
kleine ding dat aan een lange draad in de lucht hing. Nee, ze was nu
een dikke zelfbewuste spin met het grootste web van de hele tuin.
Op een morgen werd ze wakker met een slecht humeur. Het had 's nachts
gevroren. Er scheen geen enkele zonnestraal en er was geen vlieg te
zien. Hongerig en werkloos zat de spin daar de hele lange grijze dag.
Uit verveling maakte ze een rondwandeling door haar web en trok aan
alle draden om te onderzoeken of ze wel stevig genoeg zaten, totdat ze
aan de uiterste rand van het web bij een draad kwam die ze niet kende.
De andere draden liepen naar dit of naar dat twijgje, de spin wist het
allemaal heel precies. Maar deze draad ging nergens heen: het leek
alsof hij zo maar omhoog liep.
De spin ging op haar achterste poten staan en loerde naar boven, maar
ze kon niet ontdekken waar die draad heen liep. Ze herinnerde zich
helemaal niet meer dat zij zelf eens op een mooie dag aan deze draad
naar beneden was gekomen. Ze herinnerde zich ook niet hoe juist deze
draad het haar mogelijk had gemaakt het web te spannen en groter te
maken. Ze zag alleen maar een nutteloze draad die in de lucht verdween.
'Weg ermee', zei de spin en ze beet de draad door.
Op hetzelfde ogenblik kwam het web los. De spin viel naar beneden en
toen ze weer bijkwam, lag ze tussen de bladeren op de grond met het web
als een klein vochtig lapje over haar heen.

Midas en het goud
Bakchos, de god van de Phrygiërs -een dom maar vrolijk volk -maakte
eens een reis naar Indië, het land waar hij geboren was.
Op zekere dag miste de god opeens zijn vriend Silenus, die met hem
meegereisd was. Silenus was niet alleen zijn vriend maar ook zijn
leidsman.
Door wijn bedwelmd was hij van zijn ezel gevallen. Gelukkig vonden
boeren die op het land aan het werk waren, de bewusteloze Silenus en
brachten hem naar Midas.
Midas wist wie Silenus was en ontving de vriend en leidsman van de
machtige god met eerbied en bracht hem zo vlug mogelijk naar Bakchos
terug.
"Hoe zal ik u belonen voor deze vriendelijke daad?" vroeg Bakchos.
"Geef mij, heer, de wonderkracht, dat alles, wat ik aanraak, in goud
verandert", was koning Midas' antwoord. "Een dwaze wens", sprak de god,
"maar het zij zo." Daarop ging hij heen.
Toen nu Midas de tak van een eik afbrak, veranderde deze aanstonds in
goud.
Hij raapte een steen op en raakte een aardkluit aan: beide veranderden
in klompjes goud. Daarna ging hij vrolijk naar zijn paleis, waar hij de
tafel al gedekt vond.
Hij zette zich aan de dis. Maar de gouden gerechten bleken te hard voor
z'n kiezen en het gloeiende goud kon hij niet drinken.
Hongerig en dorstig stond hij op en smeekte Bakchos de schadelijke
wonderkracht van hem weg te nemen. Bakchos had medelijden met Midas en
voldeed aan diens verlangen

Een buffel teveel
Enkele jagers charterden een vliegtuig dat hen naar een bosgebied zou
brengen. Twee weken later kwam de piloot om ze weer op te halen. Hij
keek naar de gedode dieren en zei: "Deze machine kan niet meer dan één
buffel vervoeren. U moet de anderen achterlaten."
"Maar vorig jaar mochten we van de piloot twee dieren in een machine
van dezelfde grootte meenemen", protesteerden de jagers.
De piloot was sceptisch, maar zei tenslotte: "Als jullie het vorig jaar
zo gedaan hebben kunnen we het vermoedelijk wel doen."
Dus steeg het vliegtuig op met drie mannen en twee buffels aan boord.
Maar de machine kreeg geen hoogte en botste tegen een nabijgelegen
berg.
De ongedeerde mannen klommen uit het beschadigde vliegtuig en keken om
zich heen. Een van de jagers zei tegen de anderen: "Weten jullie waar
we zijn?" Een ander keek speurend om zich heen en antwoordde: "Ik denk
dat we ons ongeveer twee kilometer links van de plek bevinden waar we
vorig jaar zijn neergestort