De droom van de schat
Na jaren van armoede had Eizik ben Jekel uit Krakau in een droom de
opdracht gekregen naar Praag te reizen om daar, onder de brug bij het
paleis van de koning, een schat te zoeken.
Aangekomen bij de brug zag hij dat die dag en nacht door soldaten
bewaakt werd. Hij durfde dus niet te gaan graven. Maar wel ging hij
elke dag naar de brug en bleef hij tot het vallen van de avond in de
buurt.
Het hoofd van de wacht die hem daar almaar zag, informeerde wat hij
zocht. Eizik vertelde hem de droom.
Het hoofd van de wacht barstte in lachen uit: 'Je bent dus dat hele
eind komen lopen vanwege een droom? Tja, dat is het lot van iemand die
in dromen gelooft. Als ik in dromen had geloofd, had ook ik een verre
reis moeten maken. Want mij is eens in een droom opgedragen naar Krakau
te gaan, naar het huis van een of andere Jood -Eizik heette hij -om
daar onder de kachel naar een schat te graven. Eizik ben Jekel! Ik zag
mezelf al in een stad waar de ene helft van de Joden Eizik heet, en de
andere helft Jekel! Ik zou alle huizen van de stad omver hebben moeten
halen!' En opnieuw moest hij lachen.
Eizik nam met een buiging afscheid en ging weer naar huis. Daar groef
hij de schat op die onder de kachel lag begraven.

De hemel begint thuis
Er waren eens twee monniken. Ze hadden allebei in een heel oud boek
gelezen dat aan het eind van de wereld een plek te vinden zou zijn,
waar hemel en aarde tezamen kwamen. Ze besloten die plaats te zoeken en
niet terug te keren, voordat ze hem gevonden hadden.
Ze liepen de hele wereld door, overwonnen ontelbare gevaren,
doorstonden alle ontberingen die zo'n tocht door de wereld maar kan
opleveren en leden onder alle mogelijke verleidingen die mensen van hun
doel kunnen afhouden.
Er zou daar een deur zijn - zo stond in het boek - waarop ze maar
behoefden te kloppen om bij God te komen. Eindelijk vonden ze wat ze
zochten. Ze klopten op de deur. Met bevend hart zagen ze, hoe hij
openging.
Toen ze naar binnen liepen, bleken ze thuis in hun kloostercel te
staan. Toen begrepen ze dat de plek, waar hemel en aarde elkaar
ontmoeten, in de wereld is, op de plek die je van God gegeven is.
De steen van de wijze
Er woonde, heel lang geleden, in een hutje een wijze man.
Op zekere dag komt er een vrouw op bezoek. Ze had gedroomd dat de wijze
een edelsteen bezat. "Geef mij die steen", smeekt ze, "want ik sterf
van de honger!"
De wijze rommelt wat in zijn broekzak en haalt een steen te voorschijn.
"Bedoel je deze? Ik heb hem gevonden in het bos." In zijn hand fonkelt
een prachtige diamant. "Ja", gilt de vrouw. Ze grist de steen weg en
holt heen. Die nacht kan ze niet slapen. Ze begrijpt het niet. Ze
piekert over alles wat er is gebeurd.
Dan gaat ze terug naar de wijze. Ze geeft hem de steen en zegt:
"Wijze, hier is de steen. Geef me liever iets van de vrede waardoor u
gister zo kalm en moeiteloos de steen aan mij gaf want dat is meer
waard."
Een parel van onschatbare schoonheid (van Kahlil Gibran)
Een oester zei tot een van de andere oesters in haar buurt: "Ik voel
zo'n diepe pijn binnen in me: het lijkt wel iets hards en ronds, en ik
ben er helemaal ellendig van."
Zelfvoldaan antwoordde de andere oester: "God en de zee zij dank, ik
heb helemaal geen pijn. Ik voel me lekker fit en gezond, van binnen als
van buiten."
Op dat ogenblik kwam er een krab voorbij, die de beide oesters hoorde
praten. Tot degene die zich zo lekker fit en gezond voelde van binnen
en van buiten zei ze: "Ja, je bent lekker en wel, maar de pijn die je
buurvrouw draagt is een parel van onschatbare schoonheid."
Het geheim van het geluk (Vrij naar Paulo Coelho)
Een jongen kwam bij een Wijze en vroeg hem naar het geheim van het
geluk. De Wijze overhandigde de jongen een theelepel waaraan twee
druppels olie hingen, en zei: 'Ik wil je vragen deze lepel onder het
lopen zo vast te houden dat de olie er niet afvalt.'
De jongen begon de trappen van het paleis op en af te lopen, met zijn
ogen strak gericht op de lepel. Na twee uur keerde hij terug.
'En', vroeg de Wijze, 'heb je de Perzische tapijten in de eetkamer
gezien? En de tuin waarover de meester der hoveniers tien jaar heeft
gedaan? En de schitterende perkamentrollen in mijn bibliotheek?'
Beschaamd bekende de jongen dat hij niets gezien had. Zijn enige zorg
was geweest de druppels olie niet te morsen.
'Ga dan terug en maak kennis met de wonderen van mijn wereld', zei de
Wijze. De jongen pakte de lepel en begon opnieuw door het paleis te
wandelen, maar dit keer lette hij op alle kunstwerken. Hij zag de
tuinen, de bergen rondom, de pracht van de bloemen, de geraffineerde
plaatsing van de kunstwerken.
Toen hij terugkwam bij de Wijze bracht hij gedetailleerd verslag uit
van wat hij had gezien. 'Maar waar zijn de twee druppels olie die ik je
heb toevertrouwd?' vroeg de Wijze.
De jongen keek naar de lepel en merkte dat hij die gemorst had. '
Dit is de enige raad die ik je kan geven,' zei de wijste aller wijzen.
'Het geheim van het geluk schuilt in het kijken naar alle wonderen van
de wereld zonder ooit de twee druppels olie op je lepel te vergeten.'

Het kostbaarste
Een man en een vrouw gingen naar een wijs man en vroegen of hij hen
wilde scheiden.
De man zei: Ik heb jullie getrouwd. Het was een groot feest, herinner
ik mij. Ik vind dat jullie scheiding op dezelfde manier gevierd moet
worden.
Zo gebeurde het. Toen het feest ten einde liep, zei de wijze man:
Laat de vrouw gaan naar het huis van haar ouders, maar ze mag het
kostbaarste uit jullie woning kiezen om mee te nemen. Er was veel
gegeten en gedronken.
Ook de man had veel gedronken, want er was een groot verdriet op de
bodem van zijn ziel. Hij viel om middernacht in een diepe slaap.
Toen hij de volgende ochtend wakker werd, merkte hij tot zijn
verbazing, dat hij zich bevond in het huis van zijn schoonvader.
Zijn vrouw had het kostbaarste uitgekozen en meegenomen, zoals de wijze
man het bepaald had.
En wéér riepen zij alle vrienden en buren bijeen en wéér werd er
bruiloft gevierd.
Licht
Sigmund Freud vertelde eens op een college:
Een meisje van een jaar of negen was voor het eerst uit logeren, bij
een tante. Maar de eerste avond, toen ze naar bed was gebracht en ze
helemaal alleen in de donkere logeerkamer lag, werd ze bang.
Eerst durfde ze niet goed, maar toen begon ze te roepen: "Tante, zeg
eens wat, ik ben bang. Het is zo donker."
En tante riep vanuit de kamer daarnaast terug:
"Waarom moet ik dan wat zeggen, het blijft toch even donker?" "Nee,"
zei het kind, "als iemand praat, wordt het licht. "
Als iemand praat wordt het licht.
Dat is iets heel wonderlijks: een woord kan licht scheppen. Dat is te
zeggen: het blijft wel donker om dat kind heen, maar er gebeurt iets
heel mysterieus, dat in de psalmen als volgt beschreven wordt: de nacht
begint te lichten als de dag, de duisternis wordt als het licht.
Dat is de wonderlijke werking van het woord. Er moet wel nog iets bij:
van het in liefde gesproken woord.
Met Pasen vieren we dat Jezus, het woord door God uitgesproken in onze
tijd, blijft leven en licht wil zijn voor ieder die bang is in het
donker.

Vader en zoon
Een joodse vader en zijn zoon woonden samen in een huis in Londen. De
vader was diep gelovig, de jongen was, zoals veel jongeren van deze
tijd. niet meer gelovig. De vader en de zoon kregen ruzie, het bekende
generatieconflict. De zoon ging graag uit naar de disco's. Vader maakte
zich zorgen over zijn zoon: wat moet er van hem toch terecht komen?
Zoonlief voelde zich beperkt in zijn vrijheid. Op een dag besloot de
zoon de wijde wereld in te trekken. Hij had genoeg van de ruzies met
zijn vader. Hij pakte zijn rugzak en ging door de wereld trekken.
Zes jaar lang zwierf hij door Europa. Op een dag, hij was in Turkije,
kreeg hij van een kennis uit Londen een telefoontje. Zijn vader was erg
ziek. De zoon twijfelde, of hij terug zou gaan naar zijn zieke vader.
Een paar dagen later belde de kennis weer op met het bericht dat zijn
vader overleden was. Vader en zoon hadden zich niet kunnen verzoenen.
De zoon kreeg na verloop van tijd steeds meer wroeging.
Hoewel niet religieus. reisde hij op een dag naar Jeruzalem en zag bij
de Klaagmuur hoe vrome joden aan het bidden waren. Zij stopten briefjes
met hun vragen en gebeden tussen de stenen van de muur. Hij dacht: dat
ga ik ook doen, dat kan geen kwaad. Hij schreef het volgende briefje:
'Beste vader het spijt me dat ik het niet met je goed heb gemaakt.
Vergeef me mijn fouten. Nu pas weet ik hoe belangrijk jij voor me bent.
Je zoon.'
Toen hij het briefje tussen de stenen wilde stoppen, merkte hij dat
zijn briefje er niet meer bij kon. Het zat propvol met andere briefjes.
Hij liep langs de Klaagmuur, op zoek naar een gaatje voor zijn briefje.
Aan het einde van de muur viel er een briefje uit een spleet. Daardoor
was er ruimte gekomen voor zijn briefje en hij stopte dat op de
vrijgekomen plaats. Omdat hij een beetje nieuwsgierig was, raapte hij
het gevallen briefje van de grond en ging het stiekem lezen.
Hij las: 'Beste zoon. Je zult dit briefje wel nooit lezen. Omdat ik
ongeneeslijk ziek ben, ben ik voor de laatste keer naar Jeruzalem
gegaan. Via God laat ik jou weten dat ik veel van je houd. Het spijt me
dat ik zo'n strenge vader was. Vergeef me. Je liefhebbende vader.'

Waardeloos of waardevol?
Een klein jongetje had zijn hand in een kostbare vaas gestoken en kreeg
hem er met geen mogelijkheid meer uit. Hij schreeuwde om hulp. Maar hoe
men ook aan zijn arm rukte en trok, hij schreeuwde alleen maar nog
harder. Tenslotte moest de kostbare vaas er aan geloven om de hand te
bevrijden. En toen ontdekte men ook waarom die hand er niet meer uit
kon: in de vaas had een euro gelegen en die hield de jongen stevig in
zijn vuist.
Zeven potten goud (Uit: The song of the bird. A. de Mello.)
Een kapper hoorde eens een stem die zei: "Zoudt u de zeven potten goud
willen hebben?" Hij keek om zich heen maar zag niemand. Zijn hebzucht
was evenwel gewekt en hij riep verlangend: "Of ik dat graag wou!" "Ga
dan onmiddellijk naar huis," zei de stem, "U zult ze daar vinden."
De kapper rende naar huis en ja hoor, daar stonden de zeven potten met
goud, behalve eentje, die was maar halfvol. De kapper kon het niet
hebben dat die pot maar halfvol was. Hij voelde heel diep dat hij niet
gelukkig kon zijn als die pot ook niet gevuld werd.
Hij liet alle familiejuwelen omsmelten in gouden munten en gooide ze in
die halfvolle pot. Maar deze bleef half gevuld.
Geweldig irriterend was dat! Hij spaarde en hongerde zichzelf en zijn
familie volkomen uit. Het hielp niet. Hoeveel goud hij ook in de pot
gooide, deze bleeft halfvol.
Op een dag vroeg hij de koning om zijn salaris te verhogen. Het werd
verdubbeld. Het gevecht met de pot begon opnieuw. Hij ging zelfs
bedelen. De pot verslond elke gouden munt die de kapper in de pot
gooide, maar ze bleef halfvol.
Het viel de koning op hoe ellendig en uitgemergeld de kapper eruit zag.
"Wat scheelt er aan?" vroeg hij, "je was zo gelukkig en tevreden toen
je een klein salaris had. Nu het verdubbeld is zie je er afschuwelijk
uit. Heb je soms de zeven potten met goud bij je thuis staan?"
De kapper vroeg stomverbaasd: "Wie heeft u dat verteld, majesteit?"
De koning lachte: "Dit zijn typisch de symptomen van de mens aan wie de
zevenpotten goud zijn aangeboden. Dit is mij ook een keer overkomen. Ik
vroeg of ik het geld mocht besteden of dat ik het alleen moest
oppotten. De duivel, die ze mij aanbood, verdween meteen. Dat geld kan
niet besteed worden. Het dwingt de mens slechts tot oppotten. Vooruit,
ga die potten teruggeven en je zult weer gelukkig zijn."

Zeesterren
Een zakenman wandelde langs het strand en zag daar een kleine jongen.
Langs de kustlijn lagen er heel wat zeesterren die daar bij hoog water
waren aangespoeld en die zeker zouden sterven voor het water terug
kwam. De jongen liep langzaam langs het water en bukte zich telkens
weer om zo'n aangespoelde zeester terug in het water te werpen.
De zakenman dacht dat dit de gelegenheid was om die jongen eens een les
te leren. Hij stapte op hem toe en zei: "Ik heb jou bezig gezien
jongen. Je hebt een goed hart en ik weet dat je dit goed bedoelt. Maar
weet je wel hoeveel kusten er op deze wereld zijn en hoeveel zeesterren
er elke dag wel sterven langsheen die kusten? Denk je niet dat een
goedhartige en ijverige jongen als jij zijn tijd beter zou kunnen
gebruiken? Denk je echt dat hetgeen je nu doet enig verschil maakt?"
De jongen keek de man even aan en keek toen naar een zeester die vlak
aan zijn voeten lag. Hij raapte de zeester op en terwijl hij ze terug
in de oceaan wierp antwoordde hij: "Voor deze hier maakt het zeker wel
een verschil!"

Licht bewaren
Er was eens een man die erg depressief was. Hij zag het leven somber in
en nergens kon hij een lichtpuntje ontdekken. Hij piekerde en piekerde
en op een dag besloot hij om iets te gaan doen. Als het licht niet naar
hem toekwam, zou hij het licht gaan halen! Zo ging hij op weg om
overdag de zonnestralen te vangen in vuilniszakken, die hij vol licht
dichtbond en mee naar huis nam.
De mensen in het dorp begrepen er niets van en keken toe. Steeds vaker
ging de man op weg, niet alleen overdag maar ook 's nachts, om het
licht van de maan en de sterren te vangen. Wat ben je toch aan het
doen, vroegen de mensen hem uiteindelijk. Ik vang licht voor die dagen
dat er geen licht is, zei hij. Eerst vond iedereen dat maar gek, maar
omdat je nooit kunt weten of je nog eens om licht verlegen zult zijn,
gingen ook zij op weg.
Na een tijd waren alle huizen boordevol vuilniszakken met licht, zo vol
dat er bijna geen ruimte meer over was. De kinderen vonden dat maar
niks, want er was helemaal geen plek meer om te spelen. Onze ouders
zijn gek geworden, zeiden ze en ze gingen op onderzoek uit.
Vuilniszak na vuilniszak maakten ze open en ze konden hun ogen niet
geloven! (vuilniszakken gaan open, worden leeggeschud ... ) Hebben
jullie het gezien? Er zit helemaal geen licht in! Geen piepklein
straaltje, geen restje, geen glimpje, niks ... Hoe kan dat nou!
De kinderen gingen naar de man die het allemaal bedacht had. Eerst werd
hij boos en later heel verdrietig. Was al zijn zoeken naar het licht
dan echt voor niets geweest? Toen hij de ernstige, vragende ogen van de
kinderen zag drong de waarheid opeens tot hem door: licht kun je niet
bewaren, je moet het zien. Licht is er altijd, dag en nacht, in de ogen
van mensen. Je kunt het niet vasthouden voor later, je kunt het niet
vasthouden voor jezelf. Het enige wat je kunt doen is het licht zien,
voelen, zijn!

Op zoek naar levensvreugd.
Een oosters verhaal vertelt van een jongeman die hartstochtelijk op
zoek was naar levensvreugde.
In zijn jeugdig enthousiasme dacht hij dat te vinden in plezier maken
en feest vieren, maar hij voelde zich slechts leeg en hol.
Toen bedacht hij dat hij het heel anders moest doen: hij trok zich
terug in de eenzaamheid om in bezinning en zelfdiscipline aan het
aardse te ontstijgen. Hoe hoezeer hij het ook probeerde: hij vond geen
levensvreugd.
Toen trok hij naar de stad om onder de mensen te zijn en zijn leven
dienstbaar te maken aan de mensen. En van de vroege morgen tot de late
avond was hij in de weer. Het gaf hem weliswaar een tevreden gevoel,
maar levensvreugd vond hij niet.
Weer ging hij op tocht en als bedelmonnik trok hij van plek naar plek,
op zoek naar geluk, naar levensvreugd.
Op een dag ontmoette hij aan de oever van een rivier een oude veerman,
die heel zijn leven niets anders gedaan had dan wachten op mensen die
de rivier wilden oversteken. De tevredenheid en blijmoedigheid die deze
man uitstraalde, bracht de man ertoe hem te vragen: wat moet ik doen om
levensvreugd te vinden?
En de veerman antwoordde: Je bent alsmaar druk doende geweest met
zoeken en daarom heb je het niet gevonden. Je hebt alsmaar gedacht: wat
moet ik doen om het te vinden en daarom kon het jou niet vinden.
Je zult je levensvreugde pas vinden als je kunt wachten aan de oever
van de stilte, als je kunt luisteren naar het stille gekabbel van het
water, als je kunt wacht op mensen die je een kleine dienst vragen. Dan
kan de levensvreugd jou vinden.
