De adelaar (Vrij naar: The song of the bird, A. de Mello, S.J.
p. 120.)
Iemand vond eens het ei van een adelaar en legde het in het nest van
een kip die op een binnenplaats aan het broeden was. Het ei kwam uit en
de adelaar groeide op met de kuikens van de kip.
Heel zijn leven lang deed de adelaar wat de kippen deden; hij wist niet
beter of hij was een kip die op de binnenplaats thuis hoorde. Hij
krabde in de aarde naar wormen en insecten.
Hij tokt en kakelde en soms spreidde hij zijn vleugels uit en vloog net
als de kippen een klein eindje de lucht in. Zo vliegt een kip toch, hé?
Jaren gingen er voorbij en de adelaar werd heel oud.
Op zekere dag zag hij een schitterende vogel hoog boven hem in de lucht
vliegen. Hij liet zich majestueus drijven op de kracht van de wind en
bewoog zijn sterke gouden vleugels nauwelijks.
De oude adelaar keek ernaar vol eerbied en ontzag. "Wie is dat?" vroeg
hij aan zijn buurman.
"Dat is een adelaar, de koning van de vogels," zei zijn buurman. "Maar
denk er maar niet meer aan. Jij en ik lijken in de verste verte niet op
hem."
En dus dacht de adelaar er niet meer aan. Hij stierf in de overtuiging
dat hij een kip was die op de binnenplaats thuis hoorde.
De koning in zijn hemd
Een koning liep eens door het korenveld. Hij deed dat niet uit
landsbelang, of omdat hij graag wilde weten of het koren van zijn
onderdanen tot goede wasdom groeide.
Hij deed het uitsluitend voor zijn plezier. Het was prettig, dat al die
halmen slechts tot zijn heupen kwamen en dat zij bogen tot de grond,
telkens als er een briesje over voer.
'Wat is een koning toch machtig,' sprak hij glimlachend, 'niet alleen
de mensen, doch ook de halmen buigen voor mij. Ieder weet toch waar hij
staan moet.' Nu gebeurde het, dat hij, halverwege de wandeling, de
behoefte gevoelde, die wij allen weleens gevoelen. De koning zag rond
naar een schuilplaats. Doch er was er geen. Nu viel zijn oog op het
koren.
'Komaan,' sprak hij, 'daar zal ik in gaan. Ik moet wel enige halmen
vertreden, doch het is de koning ook.' Hierop hing hij zijn hermelijnen
mantel aan een wilg, zette zijn kroon af, en stapte in het koren.
Na enige ogenblikken kwam er een boer voorbij. 'Hé daar! vlegel!' riep
de boer, 'wat zit jij daar te doen?' De koning werd rood van kwaadheid;
doch daar hij nog niet gereed was, keek hij op zijn hurken de ander
bars aan. 'Kun je niet spreken, kwajongen!' schreeuwde de boer
vervolgen, 'is het niet genoeg dat je mijn koren plattrapt? Moet je het
nog vies maken ook?'
'Het is niet aldus dat men zijn vorst aanspreekt,' antwoordde de koning
waardig.
'Een viezerik ben je!' schreeuwde de boer, dwars door het koren op hem
toe stappend, 'een viezerik in een hemd! Een landloper zonder broek!
D'r uit!'
En hij riep de andere boeren en samen joegen zij de koning met
knuppelslagen door het korenveld. Bij de ingang van het dorp echter
riep een soldaat: 'Het is de koning! Geef acht!' En hij presenteerde
het geweer.
De boeren stonden beschaamd en wachtten met gebogen hoofd hun vonnis.
Doch de koning was beschaamder. Hij sloop naar zijn paleis en bedacht
dat hij zonder hermelijn een man was in een hemd.

De steenhouwer
Er was eens een man die stenen kapte uit een rots. Hij vond zijn werk
veel te zwaar en droomde dat hij rijk was.
En plotseling was hij rijk. Zo stond hij langs de weg toen er een
koning voorbij kwam, gezeten in een prachtige koets. 'Was ik maar
koning' dacht hij, 'dat zou nog mooier zijn.' En tevreden was hij niet.
Toen opeens was hij koning. Met veel ruiters en paarden reed hij in een
gouden koets door zijn rijk. Maar de koning begon te klagen over de
hete zon, die zijn gezicht schroeide. En tevreden was hij niet.
Hij zuchtte en dacht: 'Was ik de zon maar.' En hij had deze woorden nog
niet gezegd of hij was de zon. Nu strooide hij zijn gouden stralen over
de aarde. Totdat er een wolk kwam die zijn stralen tegenhield. 'Ik wou
dat ik zo machtig was als die wolken', dacht hij ontevreden.
En zo werd hij een wolk en kon hij de stralen van de zon opvangen en
breken. Maar de wolk viel in grote druppels naar de aarde en het water
stroomde woest over het land. Alleen een rots bleek machtiger dan het
water. Toen werd hij kwaad omdat de rots nog sterker was dan hij en
tevreden was hij niet.
Hij wilde liever een rots zijn. En ook dat gebeurde. Maar toen kwam er
een man met een scherpe beitel en grote hamer. Deze hakte in de rots om
er stenen van te maken. Toen dacht de rots ontevreden: 'Was ik die
steenhouwer maar.'
En het gebeurde. En elke dag deed de man zijn zware werk en was
tevreden.

De tempel met de duizend spiegels
Een hond had van de tempel met de duizend spiegels gehoord.
Hij wist niet wat spiegels zijn, maar zijn verlangen om de tempel te
bezoeken was groot. Na een tocht van enkele weken kwam hij bij de
tempel. Hij liep de trappen op, en toen hij door de poort was gegaan,
keken uit duizend spiegels duizend honden naar hem. Dat verheugde hem
en hij kwispelde met zijn staart. Toen verheugden zich ook in de
spiegels duizend honden en kwispelden met hun staart. Hij verliet de
tempel met het bewustzijn: de wereld is vol met vriendelijke honden.
Van nu af aan ging hij dagelijks naar de tempel met de duizend spiegels.
Op een middag kwam een andere hond in de tempel met de duizend
spiegels.
Toen hij door de poort was gegaan, keken uit duizend spiegels duizend
honden naar hem. Hij werd bang, liet zijn tanden zien en gromde. Toen
gromden uit de spiegels duizend honden met ontblote tanden terug. De
hond trok zijn staart in en liep weg met het bewustzijn: De wereld is
vol met boze honden.
Nooit meer kwam hij terug naar de tempel met de duizend spiegels.

Een beertje
Een beertje wil voor zijn moeder bloemen gaan plukken, want zij is
jarig.
Het stapt vrolijk door het bos en komt tenslotte bij een rivier waar
een smalle brug over ligt. Aan de overkant staan de bloemen.
Ons beertje stapt voorzichtig op het bruggetje en ziet beneden zich
zijn eigen spiegelbeeld.
Het schrikt, rent terug en durft het bruggetje niet meer op. Na een
poosje denkt het: "Als ik mijn ogen dicht doe, dan zie ik dat boze
beest niet als ik over die brug ga".
Hij probeert het maar voelt zich na een aantal stappen toch zo onzeker,
dat hij de ogen open moet doen en verschrikt weer terug rent.
Als hij daar zo troosteloos zit, komt er een vos aan, die hem vraagt
wat er aan de hand is.
Ons beertje vertelt van het monster in het water en de vos geeft hem de
raad: "Je moet heel boos kijken, dan schrikt het monster en dan gaat
het wel weg."
Als ons beertje welgemoed naar het bruggetje stapt en de raad opvolgt,
dan ziet hij het monster heel boos naar hem kijken en hij is geen held,
hij vlucht weer snel naar de veilige kant.
De volgende raadgever is de wolf, die hem aanraadt een grote stok mee
te nemen, met het gevolg dat het monster nu ook gewapend is.
Tenslotte is het de wijze uil, die het beertje aanraadt om naar het
monster te lachen, dan zal hij ook wel vriendelijk teruglachen.
Aarzelend volgt ons beertje deze raad op en kan tenslotte zielsgelukkig
met de geplukte bloemen zijn moeder blij gaan maken.
De moraal is duidelijk: we vallen vaak ten prooi aan de angsten die wij
zelf oproepen.

De zingende olifant (Gina Ruck-Pauquét/Monika Kaimruber; Kai-to,
der Elefant, der sang)
De olifant heette Kai-to. Hij was heel klein en stond onder de buik van
zijn moeder. Hij zag het gras, de bloemen en de poten van de andere
olifanten. Dat was zijn wereld. Maar hij was anders dan de andere
olifanten. Hij kon zingen!
'Psst!' zei zijn moeder, 'wees stil! Olifanten zingen niet!' 'Mond
dicht!' brulde de olifantenkudde. 'Geen enkele olifant heeft ooit
gezongen. Wij kunnen niet dulden, dat jij zingt!'
Maar Kai-to kon zich niet stilhouden. Hij zag de hemel en het
geheimzinnige oerwoud met zijn dieren, en hij zong als ze onderweg
waren op de grote olifantenpaden en hij zong wanneer ze rustten en vaak
zong hij ook zelfs in zijn dromen.
Op een dag had de oude olifantenleider zijn oren uitzonderlijk goed
gewassen. Daardoor hoorde ook hij Kai-to's zang.
'Geen enkele olifant heeft ooit gezongen', zei hij, 'en daarom is het
verboden!' En hij joeg Kai-to weg.
Wie echter eenmaal uit de kudde verstoten is durft niet meer terug te
keren. Daarom ging Kai-to nu zijn eigen weg; ver achter de kudde volgde
hij het spoor en nog vaak konden ze hem treurig of opstandig horen
zingen.
Maar de jonge olifanten van de kudde werden ontevreden; zij mochten
Kai-to graag. En zij hielden van zijn liederen. Zij stelden zich
dreigend op en hieven hun slurven tegen de olifantenleider op:
'Kai-to moet terugkomen!' riepen ze.
De oude leider zei: 'Het is nog nooit voorgekomen, dat men tegen mij in
opstand is gekomen. En dat een olifant zingt, dat is strijdig met een
oude olifantenwet!'
Maar de jongeren riepen: 'Wanneer een wet oud is, hoeft die niet meer
goed te zijn. Denk na en haal Kai-to terug! Anders gaan wij ook en
vormen met Kai-to een nieuwe kudde!'
Toen schikte de olifantenleider zich en haalde Kai-to terug, Kai-to en
zijn lied.
Sindsdien gebeurt het vaker, dat er olifanten geboren worden, die onder
de buik van hun moeder zingen.

De buitenkant (bij Matteüs 7. 15-27)
Joeri is na school met zijn vriend Ben meegegaan naar huis.
"Mag ik een kiwi, mam?", vraagt Ben.
"Ja, natuurlijk", zegt zijn moeder.
Joeri kijkt naar de bruine harige vrucht in Bens hand. Is dat een kiwi?
Het ziet er niet erg lekker uit. Zo'n rare kleur. En van die rare
haartjes erop.
Bens moeder snijdt de kiwi in twee stukken. Van binnen is het ding
groen. Er zitten zwarte pitjes in. Ben pakt een lepeltje en begint de
kiwi uit te lepelen. Joeri is nu toch wel een beetje nieuwsgierig.
"Mag ik ook een hapje?", vraagt hij.
Ben pakt een lepeltje voor zijn vriend. Hij geeft Joeri de andere helft
van zijn kiwi.
Joeri proeft voorzichtig. Fris en een beetje zoet smaakt het. Wel
lekker eigenlijk.
Bens moeder glimlacht.
"Lekker?", vraagt ze.
Joeri knikt.
"Zo zie je maar', zegt Bens moeder, "je moet altijd verder kijken dan
het velletje!"
Joeri en Ben moeten er om lachen. Verder kijken dan het velletje. Dat
klinkt wel goed!
"Hoe was het op school?", vraagt Bens moeder.
"Er is een nieuwe jongen in de klas", vertelt Ben. "Hij heet Anton. Hij
ziet er wel vies uit. Allemaal rode vlekken in zijn gezicht en op zijn
handen. Dat is een ziekte, zei de meester. En het is niet vies. De
meester zegt dat we gewoon met hem kunnen spelen. Wij krijgen die
ziekte dan niet. Maar ik ga toch maar niet met hem spelen".
"Ik wel", zegt Joeri, "Ik ga morgen met hem spelen".
"En je kent hem niet eens?", zegt Ben.
"Jawel", zegt Joeri. "Hij woont bij ons in de straat. En hij heeft mij
geholpen. Gisteren waren er grote jongens. Ze wilden mijn voetbal
afpakken. Anton kwam er aan. Hij heeft me geholpen, zodat de jongens de
bal niet konden pakken".
"Vind je hem dan niet vies?", vraagt Ben.
"Jawel", zegt Joeri, "ik vind het er ook wel akelig uitzien. Maar hij
heeft me wel geholpen. Daarom ga ik met hem spelen".
Hij slikt het laatste hapje van zijn kiwi door.
"Je moet altijd verder kijken dan het velletje. Of niet soms?", zegt
hij dan.

Vreemdelingen aan de stadspoort
In een oud joods verhaaltje wordt vertelt van een oude wijze man die
aan de stadspoort zit. Op een dag komt er een vreemdeling aan en die
vraagt hem: wijze man, vertel me eens: hoe zijn de mensen in deze stad?
De oude man antwoordde met een tegenvraag: hoe waren de mensen in de
plaats waar je vandaan komt? En de vreemdeling antwoordde: 0 dat waren
hele vriendelijke mensen, ze zijn altijd goed voor mij geweest.
En de wijze zei toen: die mensen zul je hier in onze stad ook vinden.
Later kwam er nog een vreemdeling en hij had dezelfde vraag: hoe zijn
de mensen hier? En weer kwam die tegenvraag: hoe waren ze in de plaats
waar je vandaan komt? 0, dat waren heel vervelende mensen, ze hebben
nooit iets voor mij gedaan. En de wijze zei: die mensen zul je hier ook
vinden.
Een bloem
De kleine prins trok de woestijn door en kwam één enkele bloem tegen.
Een bloem met drie bloemblaadjes, een bloempje van niets... 'Goede
morgen', zei de kleine prins.
'Goede morgen', zei de bloem.
'Waar zijn de mensen?', vroeg de kleine prins beleefd.
De bloem had vroeger eens een karavaan zien langskomen.
'De mensen? Er bestaan er geloof ik zes of zeven. Die heb ik jaren
geleden eens gezien. Maar je weet nooit waar je ze kunt vinden. De wind
jaagt ze in het rond. Ze hebben geen wortels, dat is erg lastig voor
ze.'
'Daag', zei de kleine prins.
'Dag', zei de bloem
Een gelukkigste vis (van Phil Bosmans)
Een domme vis meende dat de meeuw gelukkiger was, omdat ze op de baren
wiegen kon en met de golven spelen.
Op het strand stond een aap te dromen. De vis riep: "Haal me uit het
water!" En de aap bracht de vis op het droge.
Het duurde niet lang of de vis kreeg tranen in de ogen van spijt. Hij
voelde dat hij sterven ging en begon te bidden om water.
Toen kwam er een grote lange golf en die wierp de vis terug in de zee.
Nu is hij de gelukkigste vis van alle vissen in het water.
Gek (van Kahlil Gibran
In de tuin van een gekkenhuis ontmoette ik een jongeling met een
gezicht, bleek, lieflijk en vol verwondering.
Ik ging naast hem op de bank zitten en vroeg: 'Waarom bent u hier?'
Hij keek mij in opperste verbazing aan en zei: 'Hoewel het een
onbetamelijke vraag is, zal ik haar toch beantwoorden. Mijn vader wilde
mij maken tot een duplicaat van zichzelf en dat wilde mijn oom ook.
Mijn moeder wilde dat ik het evenbeeld was van haar roemruchte vader.
Mijn zuster placht mij haar zeevarende echtgenoot voor te houden als
het volmaakte, navolging verdienende voorbeeld. Mijn broer vindt dat ik
net als hij moet zijn, een uitmuntend atleet.
Mijn leermeesters - de doctor in de filosofie, de muziekleraar en de
leraar in de logica - waren eveneens vastbesloten: een ieder wilde
slechts dat ik de weerkaatsing was van hun eigen gezicht in de spiegel.
Daarom ben ik hierheen gekomen. Ik vind het hier gezonder. Ik kan nu
tenminste mezelf zijn.'
Het kruis
Een legende uit de middeleeuwen vertelt, hoe God eens medelijden had
met iemand, die zich over zijn kruis beklaagde. Hij bracht hem naar een
ruimte waar alle mogelijke kruisen uitgestald waren en zei: 'Kies
maar!' De mens ging op zoek. Daar zag hij een heel dunne, maar het was
lang en groot. Hij zag een heel kleine, maar toen hij het wilde
optillen, bleek het zwaar als lood. Toen zag hij er een die hem beviel
en hij legde het op zijn schouder. Maar hij merkte dat dat kruis, net
op de plaats waar het op zijn schouder lag, een scherpe punt had, die
in zijn schouder drong. Zo had elk kruis wat onaangenaams. Toen hij
alle kruisen bekeken had, had hij nog steeds geen passend kruis
gevonden. Toen ontdekte hij er nog één, die verdekt was opgesteld en
die hij over het hoofd had gezien. Het was niet zo zwaar, niet zo
licht, gemakkelijk te hanteren... als voor hem geschapen. Dat kruis
wilde hij in het vervolg dragen. Maar toen hij het van nabij bekeek,
merkte hij, dat dit het kruis was, dat hij tot nu toe had gedragen.

Leid ons niet in bekoring
Er waren eens twee monniken op reis gingen. Ze stapten welgemoed en
uiteraard zwijgend verder tot ze bij een woeste rivier kwamen.
Er stond een buitengewoon knap meisje aan de kant: ze huilde, want
niemand wilde haar helpen over de rivier. De jongste monnik bedacht
zich niet lang, nam haar in zijn armen en droeg haar door de wilde
stroom.
De gehele dag liepen de monniken verder in diep zwijgen. Maar tegen de
avond barstte de oudste uit: 'Hoe durf je het eigenlijk. Een monnik mag
niet eens een vrouw aanzien, en jij neemt er zelfs een in je armen en
draagt haar!'
En de jongste antwoordde: 'Ik heb haar daar aan de oever weer
losgelaten, maar jij draagt haar nu nog.
Over het water lopen
Meester Tapobaan had een leerling die hem onberispelijk diende. Alleen
om deze ijver en om zijn diensten behield de meester de volgeling die
hem voor het overige dom leek te zijn.
Op een dag werd er in de streek over niets anders meer gepraat dan over
Tapobaans leerling die men over het water had zien lopen. Hij was over
de rivier gekomen zoals men een straat oversteekt.
Tapobaan riep de leerling bij zich en vroeg: "Is het waar wat men van
je zegt? Is het waar dat je de rivier lopend bent overgestoken?"
"Wat is er toch natuurlijker," antwoordde de trouwe knecht, "dank zij
u, o gelukzalige, werd het mij gegund over het water te lopen. Bij elke
stap herhaalde ik uw gezegende naam en dat heeft me voor verdrinken
behoed..."
Meester Tapobaan meende: "Als het de leerling gegeven is over het water
te lopen, wat zal de meester dan wel niet kunnen. Als er in mijn naam
wonderen gebeuren, dan moet ik een kracht bezitten die ik niet ken en
een graad van heiligheid die ik al te veel onderschat heb. En op de
keper beschouwd, ik heb nog nooit geprobeerd de rivier over te steken
als was ze een straat."
Hij haastte zich zonder dralen naar de rivier. Hij aarzelde niet toen
hij zijn voet op het water zette, en met onwankelbaar geloof herhaalde
hij: "Ik, ik, ik..."
Maar hij zonk.
