Teksten voor een doopviering
ERGENS KOMT EEN KIND VANDAAN
Ergens komt een kind vandaan,
geboren maar nog zonder naam,
het is nog niemand, spreekt geen woord,
heeft van het kwaad nog nooit gehoord,
het huilt nog van geboortepijn
en weet niet wie het ooit zal zijn.
Ziet nog niet waartoe het leeft,
waartoe het hart en handen heeft,
is enkel adem, vlees en bloed
geen notie hoe het leven moet,
een klein en kwetsbaar mensenkind,
dat nu zijn levensreis begint.
Niemand weet wat komen gaat,
geluk en liefde, vroeg of laat,
en ook verdriet en tegenslag,
is wat een mens verwachten mag.
Het leven is vaak ongewis,
geen enkel mens die zeker is.
Ergens moet een kind toch heen,
het gaat zijn eigen weg alleen
en zoekt of in de wildernis
een bron van levend water is
en luistert of een woord bestaat
waarin zijn toekomst opengaat.
KIND, NET GEBOREN . . .
Kind, net geboren nauwelijks nog geschiedenis,
alleen nog maar de liefde van je ouders
en de mensen om je heen,
hun verwachtingen, de toekomst nog voor je,
je ontroert ons, je doet ons stil worden
en uitroepen in verwondering,
je bent weerloos, afhankelijk,
je kunt niet zonder ons
en toch ben je niet alleen van ons bezit
maar meer bij ons als een gave.
Kind, nog zo aan het begin, hoe zal je worden?
Je doet ons denken aan dat eerste begin,
toen alles goed was mooi om te zien,
je doet ons dromen
dat weer eens alles goed zal worden,
geen geweld, geen haat, geen vernieling,
geen pijn en
verdriet.
Kind, we geven je een naam,
zodat je aangesproken kunt worden,
geroepen kunt worden, gekend kunt worden;
we geven je te eten te drinken,
maar vooral liefde zorg en genegenheid,
zodat je mens kunt worden
met vertrouwen in zichzelf en in anderen.
NOG ONBESCHREVEN
Jij bent zo onbeschreven
en nog geen groot verhaal.
Jij blaakt alleen van leven
dat in jou ademhaalt, mensenkind.
Jij lacht naar alle kanten
en alles vind je goed,
want er is niet veel anders
dan liefde in je bloed, mensenkind.
Jij kunt geen mensen haten
en doet geen ander zeer.
Misschien ben jij het wapen
waarmee ik liefde leer, mensenkind.
Jij bent alleen maar iemand,
omdat je wordt bemind.
Maar niemand is je vijand
en iedereen je vrind, mensenkind.
Jij hebt nog kleine handen
en die zijn gauw gevuld.
Jij zoekt geen grote landen,
geen huizen en geen geld, mensenkind.
Wie is toch zo vermogend,
dat hij jou heeft bedacht?
En dat door jouw twee ogen
God zelf ons tegenlacht, mensenkind.
JOUW LEVEN
Jouw leven staat aan het begin,
het heeft nog geen herinnering,
het is zo weerloos en zo klein,
je weet nog niet hoe het zal zijn.
Jij weet nog niet wat leven is,
wat liefde is en wat gemis.
Jij weet nog niet van nee en ja,
van ondergang en gloria.
Je huilt nog van verwondering
maar jij hoort hier, in onze kring.
Het water wacht, de diepe zee
geeft jou een taal, een teken mee.
Dat teken is een blij geheim:
God wil met jou verbonden zijn.
Hij is nabij waar jij ook bent,
omdat Hij je bij name kent.
Zo komt jouw leven aan het licht,
zo krijgt het zin, zo krijgt het zicht.
Gods adem heeft je aangeraakt
en jou tot bondgenoot gemaakt.
DE STAMBOOM
Als je aan een boom zou vragen:
hé boom, sta je nou graag alleen?
Dan zou hij, denk ik, zeggen:
geef mij maar boompjes om me heen.
Zou je aan je vader vragen:
hé vader, sta je graag alleen?
dan zou hij, denk ik, zeggen:
geef mij maar mensen om mij heen.
Als je aan een boom zou vragen:
aan wie geef jij het leven door?
Dan zou hij, denk ik, zeggen:
daar heb ik nou mijn takken voor.
Zou jij aan je moeder vragen:
aan wie geef jiij het leven door?
dan zou zij, denk ik, zeggen:
ja, kijk daar heb ik jou nou voor.
Zou je aan je oma vragen:
jouw leven, waar komt dat vandaan?
Dan zou zij, denk ik, zeggen:
van oma's 'die niet meer bestaan.
Dus bomen zijn als mensen:
geen van twee staat graag alleen;
in kinderen en in takken,
zo groeit het leven om hen heen.
Jij, je vader en je moeder,
dat is een soort van levensboom;
die tak een eindje verder,
dat is een tante of een oom.
Maar die opa's en- die oma's
die jaren terug gestorven zijn?
Ja kijk, ik zal maar zeggen:
dat zullen wel de wortels zijn.

DE WERELD VAN DE LIEFDE
Je bent gedragen om verlost te worden,
de streng die je bond aan het lichaam van je moeder
moest verbroken worden om je je eigen leven te geven
en je zult nog moeten leren op eigen benen te staan.
Langzaamaan ga je worden wie je bent
en wij mogen je daarbij een handje helpen.
Vragenderwijs zul je de wereld gaan ontdekken
en lang niet altijd zullen wij een antwoord hebben
op al je vragen.
Maar als je vraagt: waar kom ik vandaan?
dan zullen we zeggen: úit de wereld van de liefde.
En als je vraagt: waar moet ik naartoe?
dan zeggen wij: náár de wereld van de liefde.
Wij zijn toeschouwers aan de rand van je leven.
Wij mogen je gadeslaan en naar je luisteren,
als je speelt, als je lacht en als je huilt,
als je met vallen en opstaan leert lopen en leven.
Je bent helemaal van ons, maar je bent niet ons bezit.
Niet wij hebben jou, maar jij hebt ons.
Wij moeten voor je zorgen, je leiden en beschermen,
wij hebben de taak om je te leren leven.
Alles wat wij voor je doen, heeft iets voorlopigs,
je moet niet ons worden, je moet jezelf kunnen zijn.
Je eigen leven leiden, dat is jouw eigen opdracht,
maar we hopen dat je altijd een beetje op ons lijkt.

JOUW KOMST
Jouw komst is de vervulling van een wens
die, lang gekoesterd, toch is uitgekomen.
Wij mogen 't mooiste dat wij konden dromen,
een kind van ons zien opgroeien tot een mens.
De wereld wordt voor ons opnieuw geboren,
wij kijken door de ogen van een kind,
dat alles om zich heen een wonder vindt.
Wij hadden dat vermogen haast verloren.
En al zijn kind'ren van gestalte klein,
zij horen tot de machtigsten der aarde,
bepalen van elk ding opnieuw de waarde.
Niets zal voor hen onaantastbaar zijn.
Zo kunnen wij onze kind'ren leren
om onbevangen om ons heen te kijken.
En dingen, die nu nog onwrikbaar lijken,
kunnen wij toch misschien ten goede keren.
Jacqueline Roelofs-van der Linden.
JE MAG ER ZIJN
XX, een kind van mensen ben je,
maar je weet nog van niets.
Van nergens komt je
en toch ben je zo oud als de wereld,
zo oud als ons lief en leed:
je bent immers een van ons
en wiij zijn jouw wereld, jouw geboortegrond.
Wij worden vroeg of laat jouw lief en leed.
Je ogen, je neus en je mond verraden je:
je wordt een mens als wij, wie weet - wel beter.
Straks grijp je iemand vast,
je trekt je op en staat op eigen benen.
Dan kun je niet meer terug,
dan moet je leven, dan moet je vragen,
je licht opsteken bij anderen, wie weet - bij God.
Er komen mensen op je af, vrienden te over.
Bij hen mag je zijn zoals je bent,
mag je zeggen hoe je heet: XX,
eens geboren om voorgoed te leven.
Spreek je naam maar uit, je mag er zijn,
je doet voor niemand onder.
Met vlag en wimpel wordt je groot. Jij wel!
GA JIJ MET ONS MEE
Ga jij met ons de weg die leven heet,
een weg van nu eens dansen dan weer hinken?
Deel jij met ons zoveel aan lief en leed,
wil jij die levensbeker met ons drinken?
Wil jij met ons ten einde toe, godweet,
tot waar alleen nog horizon kan blinken?
Ga jij met ons de weg die uittocht heet,
een weg van opzien, afzien en van zwerven?
Een tocht die uit moet lopen, hemelsbreed,
op leven voor wie ongeleefd al sterven
en liefde voor wie aan de onmin leed,
een thuis voor alwie onderdak moest derven.
Ga jij met ons de weg die speurtocht heet,
die ons een glimp van God op wil doen vangen?
Zij bergt een schat waaraan de mot niet vreet
en overstijgt ons allerhoogst verlangen;
ons jasje maakt zij tot een bruiloftskleed
om alle liefde levend op te vangen.
DE DOOP
In onze,tijd is water
een teken van diepe nood.
Wanneer de vissen sterven,
dan is het water dood.
In onze tijd is lucht
een teken van ademnood.
Wanneer de vogels sterven,
dan is de lucht ook dood.
Leven begint in het water,
het ademt in de moederschoot.
Als het daarbuiten niet kan leven,
dan is de geboorte dood.
Wie daarom in Hem geboren wordt,
uit het water van de doop,
leeft niet voorgoed in ademnood,
hij wordt een mens van hoop.
Men spreekt van hoop en dageraad,
van toekomst ons gegeven.
Alleen uit water en uit geest
komt dor land echt tot leven.
IK WIL ALS HET WATER ZIJN
Ik wil als het water zijn,
dat in rivieren klatert
en door het oerwoud stroomt;
dat velden vruchtbaar maakt
en overal leven brengt.
Ik wil als het water zijn,
dat al wat vuil is wast,
dat ieder mens - hoe hij ook heet -
die heling en bevrijding zoekt,
weer hoop en toekomst geeft.
Ik wil als het water zijn
dat alle boten draagt,
vol mensen en hun lasten,
om voor hen allemaal
hun tocht te verlichten.
Ik wil als het water zijn,
de bron van alle leven,
dat alle mensen samebrengt
om samen - overal vandaan -
het lief en leed te delen.
Heer, ik wil als het water zijn,
dat in uw richting stroomt,
om in de wereld, overal,
uw opdracht waar te maken,
meer mens te zijn voor iedereen.
SAMEN OP WEG
Wij geloven dat we op weg moeten
naar een andere samenleving.
Samen met XX willen we proberen
die andere weg op te gaan.
Daarom vragen wij nu om de doop
voor ons kindje.
Een andere samenleving betekent voor ons:
meer zorg voor je naaste,
meer liefde en bescherming geven
aan al wat leeft en groeit op deze aarde.
Omdat God onze aarde gemaakt heeft,
zal onze zorg onontbeerlijk zijn.
Wij hopen dat XX zal leven niet voor brood alleen.
Wij geloven dat mensen bedoeld zijn voor betere dingen
dan een maatschappjj die alleen maar werkt
met normen als consumptie en productie.
Wij geloven dat het - in Gods naam - anders kan.
In God geloven betekent voor ons:
de zijde van het leven kiezen,
mens te zijn voor de mensen en niet voor zichzelf.
Dit geloof laat ons niet los,
al kennen we de moeite om het levend te houden.
Mens te zijn voor de mensen,
leven voor een ander,
holle woorden lijken het soms,
die nauwelijks de realiteit raken.
Toch geloven wij dat het hierom draait.
Wij willen proberen in alle eerlijkheid
deze nieuwe weg op te gaan.
We kunnen alleen maar hopen
dat XX met ons mee zal gaan,
met vallen en opstaan verder gaan,
samen met ons.

VOORTBESTAAN
XX, jouw naam staat in Zijn hand geschreven,
jouw leven is bij Hem bekend
en door Zijn liefde voortgedreven
heeft Hij je voor Zijn rijk bestemd.
Je hoeft de toekomst niet te vrezen.
En zou je bang zijn voor geweld
als Hij jouw dagen heeft geteld
als Hij voor jou een gids wil wezen?
Je moet naar het verleden kijken,
de weg die God met mensen gaat.
Dan zie je dat Zijn trouw bestaat,
dat Zijn verbond altijd zal blijken.
Je kunt die trouw aan Jezus vragen,
God is dan werkelijk nabij.
En Jezus wenkt je: Kom tot Mij,
ik help de zwaarste lasten dragen.
Jouw leven in Zijn hand geschreven,
heel dicht bij Jezus voortbestaan.
En zou je aarzelend verder gaan,
je mag met Zijn beloften leven.
Jouw naam is in Zijn hand geschreven,
jouw leven is bij hem bekend
en door Zijn liefde voortgedreven,
heeft Hij je voor zijn rjjk bestemd.
WORD HEEL GELUKKIG, MIJN KIND
Ik wens je twee stevige voeten
om door het leven te gaan.
Ik wens je twee krachtige handen
om anderen bij te staan.
Ik wens je een mond
om te lachen met vrienden die vrolijk zijn,
maar ook om mensen te troosten
bij tegenspoed en pijn.
Ik wens je twee heldere ogen
om te zien, wat kwaad is en goed.
Dan zul je altijd kennen
de weg die je volgen moet.
Ik wens je een liefdevol hart toe,
een hart, dat mensen bemint.
Maar bovenal heb je Gods zegen,
word héél gelukkig, mijn kind.
LIEF KINDJE
Lief kindje, ik ben zo blij dat jij er bent
en dat ik je in mijn armen vast kan houden.
Jij hebt nog geen verdriet of angst gekend,
of pijn, waardoor je ogen huilen zouden.
Met heel mijn hart bid ik voor jou:
God, geef dit kindje een gelukkig leven,
dat het niets hoeft te merken van de kou
waardoor een mensenhart kan zijn omgeven.
Geef dat het zonnig door het leven gaat
en steeds zelf een zonnetje mag wezen,
zodat het vreugde brengt en liefde stromen laat,
waardoor gekwetste harten weer genezen.
Maar bovenal, mijn God, houd het zo vast
dat het in zijn leven nooit in het donker tast.
JE BENT EEN KUNSTENAAR
Elke dag dat je leeft is een nieuw schilderij,
waaraan ieder kan zien of je boos bent of blij.
Wat er zal gebeuren, je vindt de juiste kleuren.
God zal als Hij het ziet vol bewondering zijn.
Je bent een kunstenaar: een schilder in het klein.
Elke stap die je zet past goed in het gedicht
over angst in de nacht en je weg naar het licht.
Mocht een kuil verschijnen? Je zult het kunnen rijmen.
God was God niet wanneer Hij jouw leven niet las.
Je bent een kunstenaar: een dichter eerste klas.
Ieder woord dat je spreekt klinkt als goede muziek
overal waar je komt, op een school of fabriek.
Breng je lied naar buiten waar zoveel vogels fluiten.
God zingt zacht met je mee heeft zijn arm om je heen.
Je bent een kunstenaar: je zingt zoals geen één.
OVER HET WATER
Jij kindje, schrik maar niet,
pijn doet dit niet.
Het water is een helder bad;
jij wordt een hele lieve schat.
Jij hoort er nu echt bij.
Dit water maakt jou blij.
Jij kindje, let maar op.
Jij hebt een goede God.
Hij draagt jou in zijn armen mee,
zo golft het water van de zee.
Jij hoort er nu echt bij.
Dit water maakt jou blij.
Jij kindje, wees niet bang,
God helpt jou een leven lang.
Hij noemt jou met een lieve naam:
mag met ons verder gaan.
Jij hoort er nu echt bij.
Dit water maakt jou blij.
LIEVE XX,
gewenst en gewild in ons midden,
jij mag er zijn, wij zijn er voor jou!
Wij dragen jou, voeden jou, nemen jou mee
en willen niets liever dan dat jij gelukkig bent.
Daarom zijn we hier en laten wij je dopen.
Daarom zingen wij hier van mensen die delen,
van mensen die hopen en verwachten,
van een wereld waarin niemand teveel is,
niemand te groot of te klein...
maar waar alle mensen en alle kleuren,
waar iedereen meetelt, blank en gekleurd.
Een wereld vol wonderen,
vol geur en kleur, licht als lente.
In deze wereld van God is jouw plaats
en wij hopen dat jij er gelukkig bent,
dat jij een steentje bijdraagt
om deze aarde tot een hemel te maken,
om algemene broeder- en zusterschap mogelijk te maken,
hier en wereldwijd.
Dan zal de wereld een feest worden
en zullen alle mensen vol vreugde zijn,
want dan is ieder terecht, geen mens verloren,
en U, God, de oorzaak van alle goeds,
de maker van liefde, het nieuwe begin.
HET MOSTERDZAADJE
Wil je wel geloven dat het groeten gaat,
klein en ongelooflijk als een mosterdzaad,
dat je had verborgen in de zwarte grond
en waaruit een grote boom onstond.
Wil je wel geloven het begin is klein,
maar het zal een wonder boven wonder zijn
als je het gaat wagen met Gods woord alleen;
dan gebeuren wonderen om je heen.
Wil je wel geloven dat je vrede wint
als je vol vertrouwen leeft zoals een kind,
als je het geloof hebt als een mosterdzaad
groeit de liefde uit boven alle haat.
EEN KIND IN JE ARMEN
Een kindje in je armen,
je er even aan verwarmen.
Het maakt je compleet,
maar voor je het weet
is het een mens
met maar één wens:
zijn eigen weg te gaan,
op eigen benen te staan.
Je moet dan wel bedenken:
dit leven mocht jij schenken.
EEN WENS
Dag kindje van ons, uit liefde geboren,
je bent een groot wonder, een feest,
je wordt nu gedoopt, uit water herboren,
God ademt in jou door zijn Geest.
Dag kindje van ons je mag groeien,
word later een prachtige bloeiende boom,
je wordt nu geplant aan het levende water,
je staat in een vruchtbare stroom.
Dag kindje van ons, veel geluk in je leven,
je mag dromen van een mooi land,
en ben maar niet bang want je naam staat geschreven
voorgoed in de palm van Gods hand.
WENS
XX, wat moet er van je worden?
Je bent weerloos.
Vergeet de weerlozen niet
als je macht krijgt.
Je bent onmondig,
Vergeet de onmondigen
niet als je stem krijgt.
Je bent onvermogend.
Vergeet de onvermogenden niet
als je een vermogen krijgt.
Je bent gevoed. Voed anderen.
Je bent gedragen. Draag anderen.
Je bent opgenomen. Neem anderen op.
JOUW OGEN
Jouw ogen zullen alles nog eens gaan zien,
de bloemetjes, de vogels en de bomen,
de wereld om je heen en in je dromen
en alle soorten wonderen misschien.
Jouw wereld is nog leeg zoals het doek,
waarop je nu je leven mag gaan kleuren
met dingen die er ooit nog gaan gebeuren,
je schrijft de eerste bladzijde van je boek.
UIT DE HEMEL
Je hebt iets uit de hemel meegenomen,
je hebt iets van een engel meegebracht,
we zien het als je rustig ligt te slapen,
daar in je wiegje midden in de nacht.
We hopen dat wanneer je zult gaan groeien,
dat stukje hemel in je blijft bestaan
en dat dat beetje paradijs van boven
je hele leven met je mee zal gaan.
DE GROTE WERELD
Nu stap je dan de grote wereld binnen,
als pasgeboren kind op een planeet,
nu ga je dan de grote reis beginnen,
de lange weg die ook wel leven heet.
Nu ga je dan op weg, op weg naar morgen,
door alles heen, naar het beloofde land,
vergeet dan nooit dat Hij steeds met je mee gaat,
je naam staat in de holte van Zijn hand.
NET VLIEGERS
Kinderen zijn net vliegers.
Je bent jaren bezig
om te proberen ze van de grond te krijgen.
Je rent met ze tot je allebei buten adem bent.
Ze storten neer.
Ze smakken tegen het dak.
Je plakt en troost, verbetert en leest de les.
Je ziet de wind ze optillen
en verzekert ze dat ze op een goede dag zullen vliegen.
Eindelijk zijn ze in de lucht.
Ze hebben meer en meer vliegertouw nodig
en dat vier je.
Maar bij elke draai van de klos
voel je verdriet, waar je blij van wordt.
De vlieger raakt steeds verder weg
en je weet dat het niet lang meer duurt
of dat prachtige schepsel zal de lijn die jullie verbindt
doorsnijden en vliegen zoals het hoort te vliegen;
vrij en op zichzelf.
Pas op dat moment weet je dat je werk af is.
LEZING UIT HET EVANGELIE VOLGENS MARCUS
(10,13-16)
Eens brachten de mensen hun kinderen bij Jezus;
ze wilden dat hij hen zou aanraken,
maar de leerlingen vielen tegen hen uit.
Toen Jezus dat zag, werd hij kwaad:
'Laat die kinderen toch bij me komen;
houd ze niet tegen!
Want het koninkrijk van God is
voor wie zijn zoals zij.
Ik verzeker jullie:
wie het koninkrijk van God niet aanvaardt
zoals een kind dat doet,
zal er zeker niet binnenkomen.'
En hij sloeg zijn armen om hen heen,
legde ze de handen op en zegende hen.

LEZING UIT HET EVANGELIE VOLGENS MARCUS (9,33-
37)
Op zekere dag kwamen Jezus en zijn leerlingen in
Kafarnaüm.
Thuis vroeg hij hun:
'Waar hadden jullie het onderweg over?'
Ze hielden hun mond,
want onderweg hadden ze erover geruzied
wie de belangrijkste was.
Jezus ging zitten, riep de twaalf bij zich en zei: '
Wie de eerste wil zijn, moet alle anderen laten voorgaan
en ieder ander dienen.'
En hij trok een kind naar zich toe,
zette het midden in de kring
en sloeg er zijn arm omheen.
'Wie in mijn naam zo'n kind gastvrij ontvangt, ontvangt mij,'
zei hij,
'en wie mij ontvangt, ontvangt niet alleen mij,
maar ook hem die mij gezonden heeft.'
UIT HET BOEK GENESIS
In het begin schiep God de hemel en de aarde.
De aarde was toen een woestenij, eenzaam en verlaten.
Water bedekte de aarde en het was overal donker.
Een stormwind joeg over de watervlakte.
Toen zei God: "Licht!" En er kwam licht.
God bekeek het licht. Het was goed.
Toen scheidde God het licht van het donker.
God noemde het licht 'dag' en het donker noemde hij 'nacht'.
De avond kwam en toen de morgen: dat was de eerste dag.
...
Toen zei God:
"Nu wil ik mensen maken, mensen die op mij lijken.
Zij zullen de baas zijn over de vissen in de zee,
over de vogels in de lucht en over alle tamme en wilde,
grote en kleine dieren op het land."
En God schiep mensen, mensen die op hem leken.
Hij schiep een man en een vrouw.
God zegende hen en zei:
"Jullie moeten nakomelingen krijgen.
Zorg ervoor dat overal op aarde mensen zijn.
Jullie zullen de baas zijn over de aarde,
over de vissen in de zee, over de vogels in de lucht
en over alle dieren op het land."