De
profeet Jeremia
Zijn optreden vond plaats onder de laatste koningen van Juda, voor
de ballingschap. Hij zou geroepen zijn rond 625 voor Christus,
tijdens de regering van koning Josia. Zijn laatste woorden zijn
gedateerd na de val van Jeruzalem. Hij moet dus minstens ruim 40 jaar
actief zijn geweest
Jeremia
is vooral bekend als de klagende profeet. Hij trekt zich de smart van
God om de
zonden van zijn volk peroonlijk aan. Zijn lijden, zijn radeloosheid,
zijn verscheurdheid en innerlijke strijd komen op diverse plaatsen naar
voren.
Zoals Jeremia de god van Israël presenteert is het vooral een
straffende god, een die er niet voor terugschrikt om mensen te doden
als straf voor hun zonden. Voor ons zijn veel van die teksten
onverteerbaar, maar we moeten ze zien in de tijdgeest en de
cultuur van het Midden Oosten in die tijd (een mentaliteit die er
overigens ook nu nog heerst).

Jeremia
wordt geroepen om namens God te spreken tot koning en volk. Hij voelt
zich veel te jong, maar de Heer raakte zijn mond aan en daarmee was hij
woordvoerder van god. Een van zijn eerste jammerklachten betrof de
afvalligheid van het joodse volk.
"Wat
voor verkeerds vonden uw voorvaderen in Mij dat ze van mij zijn
weggegaan, achter de wind zijn aangelopen en wind zijn geworden." "De
kenners van de wet erkenden mij niet, de vorsten zijn me ontrouw
geworden en de profeten werden profeten van Baäl, ze liepen goden
achterna die niet helpen. " (Jeremia 2)

Het
gevaar komt uit het noorden. Jeremia moet dat luid en duidelijk
verkondigen inJeruzalem en Juda.
"Uit
de heuvels in de woestijn komt een verschroeiende wind over mijn volk,
niemom het kaf van het koren weg te blazen, niet om te zeven; Een
stromwind stuur ik op u af: ik ben het die komt vonnissen. Daar komt
hij aan als een dichte wolk. Zijn wapens zijn als een orkaan, zijn
paarden zijn sneller dan paarden." (Jeremia 4)

De
samenleving is rot van binnen, zo vind Jeremia. Hij klaag de
leugenachtigheid aan.
"Loop
door de straten van Jeruzalem. kijk goed uit en zoek de pleinen af. Als
u ook maar iemand kunt vinden die recht doet en oprecht wil leven, dan
vergeef ik de stad. Al zeggen ze ook: zowaar de Heer leeft, hub eed is
valt." "Hoe zou ik u nog kunnen vergeven. Uw zonen hebben mij verlaten,
ze zweren bij de afgoden. Ik schonk hun overvloed, maar ze plegen
echtbreuk en lopen de bordelen plat. Geile, bronstige hengsten zijn
het, die hinneken naar de vrouw van hun naaste." (Jeremia
5)

Zoals
Jeremia hete brengt, klinkt het alsof de Heer wanhopig is en het niet
meer weet wat hij met zijn volk aan moet.
"Dit zegt de Heer: Ga op de kruispunten
staan, denk na, kijk naar de oude wegen. Welke weg leidt naar het
goede. Sla die in en vind rust. Maar zij zeggen: Dat doen wij niet."
"Aarde, luister, ik breng onheil pver dat volk." "Ik leg voor dit volk
een struikelblok nee, waarover het ten val komt. Zowel vaders als zonen
komen om, zowel buren als vrienden." (Jeremia 6)

In
Mesopotamië nam de verering van de grote hemellichamen een grote plaats
in. Onder Assyrische invloed had die verering ook in Juda een
grote verspreiding gevonden.
Op en bijzondere manier spreekt de profeet zijn afschuw hierover uit. "
In die tijd zal men de beenderen van de
koningen van Juda, van de raadsheren, de priesters, de profeten en de
bewoners van Jeruzalem uit hun graven halen en ze uitspreiden voor de
zon, de maan en het strrenleger aan de hemel. Die vereerden ze met
zoveel overgave en die volgden ze, die vroegen ze om raad en daarvoor
knielden ze. De beenderen zullen niet worden verzameld en begraven,
maar als mest op de akkers blijven liggen." (Jeremia 8)

"
Waarim wordt dit land te gronde gericht,
verschroeit het als een woestijn, waar niemand nog doorheen trekt. De
Heer zei: Omdat ze de wet die ik hun voorgehouden heb, niet in acht
hebben genomen. Ze heben niet naar mij geluisterd en niet volgens mijn
wet gehandeld, maar hebben zich laten leiden door hun koppige hart. Ze
zijn achter Baäls aangelopen, zoals ze van hun voorouders hebben
geleerd. Daarom geef ik dit volk alsem te eten en giftig water te
drinken, en ik zal hen verstrooien onder volken, die zij en hun
voorouders nooit hebben gekend. Ik zal hen achtervolgen met het zwaard,
totdat ik hen vernietigd heb." Jeremia 9)

Jeremia
bleef in alle toonaarden zijn boodschap/Gods boodschap uitdragen. De
goden van de volken zijn mensenwerk, zo zegt hij.
"Dit zegt de Heer: Volg andere volken niet
na, raak niet van slag door tekenen aan de hemel, ook al jagen die de
hele wereld schrik aan. De gebruiken van die volken zijn niets waar. Ze
hakken een stuk hout in het bos, een ambachtsman bewerkt het met zijn
beitel, vefraaid het met zilver en goud. Ze spijkeren het vast, dan
valt het niet om. Het is net een vogelverschrikker, neergezet in een
komkommerveld" (Jeremia 10)

De
profeet/god vindt dat het volk voor schut staat om zijn ontrouw aan de
gegeven wetten. Heel plastisch wordt dat verteld.
"Om je talloze wandaden worden je kleren
afgerukt en wordt je eer geschonden. Kan een Nubiër zijn huid
veranderen, of een panter zijn vlekken? Zouden jullie, vergroeid met
het kwaad, dan iets goeds skunnen doen." "Ikzelf trek je mantel omhoog,
tot over je gezicht, je naaktheid wordt tentoongesteld, je overspel, je
wellust en je schandelijke hoererij. Ik heb ze wel gezien, je
gruwelijke daden op de heuvels, op de akkers." (Jeremia 13)

Jeremia
lijkt alleen maar narigheid te kunnen voorspelen, maar af en toe lijkt
er toch een beetje hoop te zijn, zoals in het verhaal van de
pottenbakker. "
Als een pot die hij
maakte mislukte, begon hij opnieuw en vormde hij de klei tot een
andere pot, precies zoals hij zich had voorgeteld. De Heer zei: Volk
van Israël, ik kan met jullie hetzelfde doen als die pottenbakker.
Immers, jullie zijn in mijn handen als klei in de handen van een
pottenbakker. De ene keer zeg ik tegen een volk en een koninkrijk, dat
ik het zal uitrukken, verwoesten en ombrengen, maar als dat volk
met zijn kwalijke praktijken breekt, dan zie ik af van het onheil
waarmee ik het wilde treffen." (Jeremia 18)

De
scherpe kritiek van Jeremia op de leiders was uiteraard niet zo welkom
bij de betreffende personen. Zo gebeurde het dat de priester
Paschur zo kwaad werd op Jeremia dat hij hem stokslagen liet geven en
in in een blot liet opsluiten. Maar Jeremia liet zich niet de mond
snoeren. Toen hij de volgende dag werd vrijgelaten zei hij: "
De Heer noemt jou niet langer Paschur,
maar Magor-Missabib (= overal paniet). Want dit zegt de Heer: Ik maak
jou voor jezelf en je vrienden tot een bron van paniek; zij
zullen door hun vijanden worden omgebracht en jij zult het moeten
aanzien. Ik lever alls Judeeërs uit aan de koning van Babylonië, hij
zal hen naar NBabel wegvoeren of hen ombrengen." (Jeremia 20)

Hoezeer
men ook een hekel had aan de profeet met al zijn onheilsvoorspellingen,
men ging toch zijn raad vragen toen Jeruzalem onder koning
Sedekia belegerd werd door Nebukadnessar van Babylonië. Maar
Jeremia had niet veel goeds te voorspellen. "
Dit zegt de Heer: Ik zal jullie dwingen je
niet langer buiten maar binnen de muren van de stad te verdedigen.
Ikzelf zal zal met krachtige, sterke hand tegen jullie strijden,
vervuld van grote woede en toorn. Ik zal deze stad treffen met een
verschrikkelijke pest, waaraan mensen en dieren zullen sterven.En dan
lever ik Koning Sedekia en allen die de pest hebben overleefd, uit aan
koning Nebudkanessar." (Jeremia 21)

Als een
groot deel van het volk is weggevoerd naar Babylonië, is er groot
verdriet bij hen die achterbleven. Tot hen spreekt Jeremia woorden van
hoop: het komt weer goed.
"Dit
zegt de Heer: In Rama hoort emn klagen, bitter treuren. Rachel beweent
haar zonen, ze wil niet worden getroost. Haar kinderen zijn er niet
meer. Maar dit zegt de Heer: huil niet langer, droog je tranen. Je zorg
voor hen wordt nu beloond. Ze keren terug uit het land van de vijand.
Je hebt een hoopvolle toekomst, je kinderen keren naar hun eigen land
terug." (Jeremia 31)

Jeremia
heeft een ontmoeting met de Rechabieten, een groep mensen die strikt
vasthielden aan hun eigen wetten. Jeremia probeerde ze aan de drank te
krijgen, maar dat lukte niet want wijn drinken was bij hen verboden.
Zij zijn trouw aan het gebod van Rechab. Een les voor de ontrouwe
bevolking van Juda en Jeruzalem. "
De nakomelingen van Rechab hebben het
gebod van hun voorvader nageleefd en tot op de dag van vandaag geen
wijn gedronken. Maar tot jullie heb ik telkens weer gesproken en jullie
hebben niet naar mij geluisterd. Ik zond telkens weer mijn dienaren, de
profeten,naar jullie met de oproep: Breek met je kwalijke praktijken,
beter je leven, loop niet achter andere godem aan en dien ze niet. Maar
jullie hebben mij niet gehoorzaamd, jullie hebben niet naar
mijgeluisterd." (Jesaja 35)

Jeremia
schreef een boekrol vol met de bepalingen van de Heer. Hij liet
Baruch de tekst voorlezen in de tempel.. In eerste instantie was men
onder de indruk. Koning Jojakim hoorde ervan en wilde ook weten wat er
in die boekrol stond. Hij was echter niet onder de indruk. Gedeelte na
gedeelte gooide hij de boekrol in het vuur. "
Niemand schrok van wat hij hoorde, niemand
scheurde zijn kleren." De koning beval Jeremia gevangen te nemen, maar
die wist zich te verstoppen." Natuurlijk had deze
halstarrige houding zijn gevolgen.
"Er
zal geen nakomeling van koning Jojakim op de troon van David zitten.
Zijn lijkzal naar buiten worden gegooid en overdag zijn blootgesteld
aan de hitte en 's nachts aan de kou." (Jeremia 36)

Een paar
konigen verder, wilde Jeremia Jeruzalem ontvluchten en naar het gebied
van Benjamin gaan, maar hij werd gearresteerd. Hij kreeg stokslagen en
achter slot en grendel gezet.. Daar zou hij enige tijd moeten
doorbrengen. Op een dagliet koning Sedekia hem in het geheim naar
zijn paleis brengen, in de hoop wat goed nieuws te horen. Maar het
tegendeel gebeurde.
"U zult worden
uitgeleverd aan de koning van Babylon. Wat heb ik u, uw hof en dit volk
eigenlijk misdaad dat u mij in de gevangenis hebt gezet? " Jeremia
vroeg ook om naar een andere gevangenis te worden overgeplaatst en die
wens werd ingewilligd. (Jeremia 37)

Wat
voorspeld was, gebeurde. Nebukasnessar veroverde de stad Jeruzalem.
Koning Sedekia en zijn soldaten namen de vlucht maar werden na een
achtervolging toch gevangen genomen. Nebukadnessar liet de zonen van
Sedekia vermoorden en eveneens de edelen van Juda. Sedekia zelf liet
hij in leven, maar liet hem wel de ogen uitsteken en in koperen
ketenen slaan. Hij werd weggevoerd naar Babel. Jeremia werd door
Nebukadnessar vrijgelaten en onder de bescherming van de Babyloniërs
geplaatst. De Heer had hem ook beloofd dat hij het er levend vanaf zou
brengen, omdat hij op de Heer vertrouwd had. (Jeremia 39)

Jeremia
mocht kiezen: meegaan naar Babel of in zijn land blijven wonen. Jeremia
koos voor het laatste, hij bleef bij de mensen die achterbleven en ging
wonen in Mispa. Het was en bleef een rommelige tijd met veel onrust.
Een groep opstandige officieren wilde naar Egypte vluchten. Jeremia
raadde dit af in de naam van de Heer.
"Als u in dit land blijf wonen, bouw ik u
op en breek u niet af.
Ik plant u en ruk u niet weg, want ik heb spijt over het kwaad dat ik u
heb heb aangedaan." "Maar als u de Heer niet gehoorzaamt en
met alle geweld naar Egypte wilt gaan en daar wilt blijven, zal het
zwaard waarvoor u zo bang bent u daar achtervolgen, u daar
achtervolgen en u zult de dood vinden." Toen
Jeremia dit gezegd had, werden ze heel erg boos. Ze vonden hem een
leugenaar. Ze gingen toch naar Egypte en namen Jeremia mee, naar
Tachpanches. (Jeremia 42 en 43)

Ook in
Egypte kon Jeremia zijn mond niet houden. Telkens vond hij iets om
zich, in naam van de Heer, over op te winden.
Veel vrouwen in Egypte vereerden
de koningin van de hemel, juist zoals ze al gedaan hadden in de tijd
dat ze nog in Juda woonden. Ze zeiden:
"Wij blijven reukoffers en plengoffers
brengen aan de koningin van de hemel en koeken bakken met haar
beeltenis erop." Natuurlijk komt Jeremia met een
onheilsvoorspelling vanwege deze halsstarrigheid.
"
Ik heb besloten om rampen over u
te brengen, heel Juda roei ik uit. De rest van Juda die besloot naar
Egypte te gaan om daar te wonen vernietig ik." (Jeremia 44)
Het boek Jeremia wordt gevolgd door het boek Klaagliederen, vijf
liederen die treuren over de verwoesting van Jeruzalem in 587 voor
Christus. Ze worden aan Jeremia toegeschreven, maar dat is echter zeer
onwaarschijnlijk. Daarvoor is het verschil tussen Jeremia"s
gedachtengoed en dit van de Klaagliederen veel te groot. Waarschijnlijk
is de tekst van verschillende auteurs afkomstig.