Koning
Saul

Er is weer eens oorlog, nu met de Ammonieten. Die belegeren de stad
Jabes. Ze willen wel vrede sluiten maar stellen daarvoor een
afschuwelijke voorwaarde. Ze wilde iedereen in de stad
de ogen uitsteken.
Gelukkig bleven de ogen van de Israëlieten gespaard, want Saul greep in
en versloeg de Ammonieten. Geen wonder dat heel het volk erg blij was
met deze overwinning.
(1 Samuël 11)
Saul
begon al spoedig ook "koninklijke" trekjes
te vertonen en zo beging hij een ernstige overtreding die hem in
botsing met Samuël bracht. Hij bracht een offer aan God, iets dat was
voorbehouden aan Samuël. Hij verloor daarbij tevens de zegen van
God. (1 Samuël 13)
Toen het weer eens oorlog was tussen
de Filistijnen en de Israëlieten, stond hij er slecht voor en verloor
hij ook de steun van vele landgenoten. Omdat er in het land geen smeden
te vinden waren, had het leger ook een groot gebrek aan wapens.

Zonder
zwaarden is het moeilijk vechten. Maar met een list weet
Jonathan het gebied van de Filistijnen binnen te dringen en verwarring
te zaaien. En zo weet Saul met zijn uitgedunde leger hen toch te
verslaan. Maar dat vroeg wel het uiterste van zijn mannen. Daarom deed
Saul een heel bijzondere eed.Hij gaf bevel dat niemand van de
Israëlieten mocht eten voordat zij de strijd gewonnen hadden. Zijn zoon
Jonathan wist niets van dat bevel en dat liep verkeerd af.
(1 Samuël 13)

Toen Saul
's nachts de Filistijnen nog eens wilde aanvallen, kreeg hij
geen hulp van Jahwe, omdat Jonatan de gelofte, niet te zullen eten,
verbroken had. Toen hij honger had, had hij honing gegeten.Toch
liep alles goed af, want het volk vond dat Jonatan
niet gestraft moest worden. Hij had in zijn eentje een enorme strijd
geleverd.
Na een tijdje was het weer hommeles: Samuël kwam met de boodschap dat
Jahwe wraak wilde nemen op Amalek, die de Israëlieten de weg versperd
had, toen ze uit Egypte kwamen. Het was aan Saul om deze opdracht uit
te voeren. Hij moest hen verslaan en ze met hun hele hebben en houden
in de ban doen.
(1 Samuël 14)
Het was een heel woelige tijd.
De Israëlieten moesten hun
plek in Kanaän nog regelmatig bevechten. Hun macht was niet groot
genoeg
om in één klap de Filistijnen hun macht ontnemen. De verschillende
stammen vormden ook nog niet één natie met één bestuursorganisatie. De
verschillende stammen werkten soms samen, maar andere keren gingen ze
allemaal hun eigen weg. Alleen enkele grote leiders wisten alle of
bijna alle stammen achter zich te verzamelen.
Met koning Saul en later met koning David werden pas echt te eerste
stappen gezet naar een soort nationale eenheid van alle stammen.
Het is en blijft voor de moderne bijbellezer onbegrijpelijk en
onverteerbaar dat "in naam van God" volksstammen werden uitgemoord. In
de verhalen wordt voorgesteld dat God zelf daar het bevel toe gaf. Dit
hoort echter bij de verteltrant van die tijd en die regio. Die haalden
God er nogal erg gemakkelijk. De wreedheden die begaan werden lagen in
de volksaard van die tijd en kregen vaak een goedsdienstig sausje.

Saul had
het verbruid bij God en bij Samuël en dus werd de laatste
erop
uitgestuurd om een nieuwe koning te zoeken.Hij moest naar een zekere
Isaï gaan, want een van zijn zonen was door God uitgekozen om de
volgende koning van Israël te worden.
Isaï kwam uit de stam Juda, terwijl Saul uit de stam Benjamin kwam. Het
is niet duidelijk of hier oude stammentegenstellingen een rol gespeeld
hebben.
(1 Samuël 16)

Ook de
manier waarop David koning werd, kent drie versies die naast
elkaar verteld worden. De eerste is dat David door Samuël tot koning
gezalfd wordt. De anders versie is dat David als jongen naar het huis
van Saul gehaald werd omdat hij goed muziek kon maken. Saul had last
van depressieve buien en de muziek kon hem wat afleiding geven. In de
derde versie gaat David zijn broers opzoeken die in het lger zijn en
daaruit volgt zijn gevecht met Goliath, en daarmee werd hij tegelijk
een belangrijk legerleider. Later ging David als krijgsheer zijn
meester overtreffen. En daar werd Saul helemaal niet vrolijk van.
David kwam dus aan het hof om Saul met zijn muziek wat op te vrolijken
als die weer eens een sombere bui had.
(1 Samuël 16)

Iedere
keer breekt er weer oorlog uit tussen de Filistijnen en de
Israëlieten. Deze keer hebben de Filistijnen de hulp ingeroepen van een
reus. Volgens de oorspronkelijke teksten zou hijongeveer drie meter
lang zijn geweest. De latere Griekse vertaling maakt hem 'maar' 1,80 m.
Deze reus daagt de Israëlieten uit tot een tweegevecht. En Saul
beloofde gouden bergen aan degenen die dit aandurfde. Maar er bood zich
niemand aan. Toen David zijn broers opzocht die in het leger waren,
durfde hij dat tweegevecht wel aan.
Dit verhaal geeft duidelijk aan dat het verslaan van deze reus geen
mensenwerk is. De verteller geeft aan dat God hier aan het werk is ten
gunste van de Inraëlieten. Daarom kan een jongentje zonder zware
wapenuitrusting deze man verslaan.
Na het gevecht met Goliat brengt David een geschenk mee voor Saul.
(1 Samuël 17)

Naast
diverse oorlogsperikelen beschrijft het boek Samuël ook
verschillende problemen rond vriendschap en liefde. Jonathan, de zoon
van Saul. raakte hecht bevriend met David, een vriendschap die heel hun
leven zou duren, ook al kwam die nu en dan flink onder druk te staan,
met name door toedoen van Saul.
Saul werd enorm jaloers op de populariteit van David, die heel
succesvol was in zijn strijd tegen de Filistijnen. (1 Samuël 18)

Saul werd
steeds depressiever en ging David steeds meer haten. Hij bracht express
het leven van David in gevaar, in de hoop dat die zou sneuvelen.
Hij maakte plannen om David in zijn eigen huis te doden. Gelukkig kon
David ontsnappen met de hulp van de dochter van Saul. De familie van
Saul was aardig verdeeld. Jonathan en Mikal kozen
voor David, en probeerden hun vaders plannen om David te doden te
dwarsbomen. Mikal was wel met David getrouwd, maar toen David op
de
vlucht was werd zij door Saul uitgehuwelijkt aan een ander.
(1 Samuël 19)

De
tweespalt tussen Saul en David nam vele jaren in beslag. Nu en dan
was er een verzoening, maar dan kon Saul zijn jaloezie niet bedwingen
en ging hij weer achter David aan. Saul voelde heel goed dat God hem
had laten vallen en dat David nu die bescherming en kracht van boven
ontving. Dat maakte dat Saul regelmatig woedeaanvallen kreeg en
dan moest David weer vluchten.
Tijdens een oorlog tussen Saul en de Filistijnen, heeft David zich
verstopt in de
spelonken van Engedi. Deze spelonken werden ook als schaapskooien
gebruikt en . . . voor minder welriekende bezigheden.
Op een keer kwam ook Saul daar zijn behoefte doen. (1 Samuël 24)

David was
vogelvrij verklaard, maar het lukte Saul niet hem te
pakken
te krijgen. Soms was het zelfs andersom: er waren situaties waarin
David Saul gemakkelijk had kunnen doden, maar uit eerbied voor diens
koningschap deed hij dat niet.
Er was weer eens een oorlog, en David wist door te dringen tot
in de tent waarin Saul lag te slapen. En weer spaarde David het leven
van koning Saul. Die beloofde beterschap, maar David vertrouwde Saul
voor geen cent en deed wat tegenwoordig veel
mensen die in levensgevaar zijn doen: hij zocht asiel bij de
Filistijnen. Die deden niet moeilijk en stopten David niet in een
asielzoekerscentrum, maar gaven hem zelfs een hele stad: Sikelag.
(1 Samuël 26)

Toen
David weer eens op oorlogspad was, werd zijn woonplaats Siklag
overvallen door de Amalekieten. Die hielden er goed thuis. Ze namen
alle vrouwen mee als ooorlogsbuit.
Eerst zat iedereen in zak en as, maar daarna ging David met 600 man de
Amalekieten achterna. Hij had geluk dat hij hulp kreeg van een slaaf
van de Amalekieten, die hem de weg wees naar hun kamp. Heel de
oorlogsbuit kwam weer in handen van David, en zo ook zijn twee vrouwen.
Intussen ging de knokpartij tussen Saul en de Filistijnen vrolijk
verder. Het ging echter helemaal mis en Saul kwam lelijk in de knel te
zitten
(1 Samuël 30)

Het leger
van Saul was verslagen. Zijn drie zonen waren gedood. En Saul
zelf was zwaar gewond. Het was een hopeloze situatie. Ook het einde van
Saul was heel nabij.
Hij pleegde zelfmoord.
De
dood van Saul was ook het einde van zijn dynastie, die nog maar net met
hem begonnen was. Dit bood wel nieuwe kansen voor David. Daarover
vertelt het tweede boek Samuël (1 Samuël 31)