De
Uittocht

Een nieuwe verhuizing komt er aan,
bekend als de uittocht uit Egypte.
Na de goede tijd onder Jozef zijn er veel jaren voorbijgegaan.
De Israëlieten waren enorm in aantal gegroeid en zij werden door de
Egyptenaren gezien als een bedreiging voor hun veiligheid. Het volk
werd daarom onderdrukt en moest zware dwangarbeid verrichten. Het waren
zware tijden voor het volk. Maar God geeft nieuwe kansen, zo heeft men
de uittocht later ervaren.
Op een gegeven ogenblik kwam het bevel dat alle jongetjes die geboren
werden, meteen gedood worden, om het aantal Israëlieten drastisch te
verminderen.
(Exodus 1)

Mozes ontsnapte aan de dood. Dit
wonderbaarlijke begin van zijn leven
diende ook te onderstrepen dat God daar aan het werk was. In de bijbel
komt het vaker voor dat mensen die een bijzondere plaats innamen in de
geschiedenis ook een bijzondere geboorte kregen toegeschreven.
Mozes had een luizeleventje bij de dochter van de farao. Maar hij zag
ook de lijdensweg van zijn volk en dat deed hem pijn. Toen hij een keer
getuige was van de mishandeling van de Israëliet door een Egyptenaar,
doodde hij de Egyptenaar. Toen was hij meteen staatgevaarlijk en hij
moest vluchten naar de woestijn.
Daar kwam hij bij Bedoeïnen terecht en hij kon meteen met de dochter
van een van hen trouwen
(Exodus 2)

God was begaan met zijn volk en
hij koos Mozes uit om zijn volk uit
Egypte weg te leiden. Maar Mozes had niet veel zin om naar de farao te
gaan als boodschapper van de God van Israël. Dat is ook heel
begrijpelijk. Hij zocht allerlei smoesjes om er onderuit te komen. Maar
dat lukte hem niet. Hij kreeg de opdracht om voor de farao "al de
wonderen te doen waarvoor ik u de macht heb gegeven". Hij kreeg wel
zijn broer Aäron mee, die het woord zou voeren.
Daar bij de brandende doorstruik noemde god, volgens de verteller, ook
zijn naam: "Ik ben die is". JHWH in het Hebreeuws (dat alleen
medeklinkers opschreef). Die naam was later zo heilig dat hij nooit zo
werd genoemd. Men noemde god de HEER.
(Exodus 3)

Aanvankelijk was de farao niet erg
onder de indruk van de trucs van
Mozes. Dat konden zijn mensen ook wel. Het enige gevolg was dat de
Israëlieten het nog zwaarder te verduren kregen. Hun leiders werden
mishandeld, toen ze protesteerden. Ze gaven Mozes en Aäron ervan langs
want die kregen de schuld van al hun narigheid. Ze weigerden naar Mozes
en Aäron te luisteren. Maar de God van Israël kwam met zwaarder geschut
op de proppen: de tien plagen.
(Exodus 7,8,9,10)

Wat voor de Egyptenaren rampen
waren, waren voor de joden tekenen van
Gods macht, ook in Egypte. Het plagenverhaal mag niet gezien worden als
een soort reportage. Het is veeleer een geloofsbelijdenis in
verhaalvorm waarin Israël tot uitdrukking brengt dat God sterker en
machtiger is dan de Farao die ook aanspraak maakte op goddelijke eer.
Voor de tiende plaag moeten de Israëleten klaar staan om te
verstrekken. Vooraf moesten zij eerst het paasfeest vieren, als teken
van een nieuw begin.
(Exodus 11)

Wist u dat ook de joden al Pasen
vierden, lang voor de dood en de
verrijzenis van Jezus? Hoogstwaarschijnlijk gaat het, volgens de
geleerden, zelfs terug op een heel oud familiefeest zoals de herders
dat vierden lang voordat het joodse volk ontstond. Het braden en eten
van een lam met bittere kruiden was kenmerkend voor de lentefeesten die
de herders hielden.
Daarnaast was er het feest van de ongezuurde broden, een lentefeest uit
de landbouwgemeenschap, uit de kring van de boeren. (Exodus 12)
In latere tijden voegden de joden beide
rituelen samen om hun paasfeest
te vieren: de uittocht uit Egypte, in hun ogen het voornaamste gebeuren
in de geschiedenis van het joodse volk, het begin ook van het joodse
volk. In hoofdstuk 12 van Exodus vinden we beide rituelen als inleiding
op de werkelijke uittocht.
De joden moesten het lam slachten en het bloed op de deurposten
strijken. Want, zo vertelt het verhaal, God kwam langs om de
halsstarrige Egyptenaren te straffen, maar Hij ging voorbij aan de
huizen van de joden, herkenbaar aan het bloed op de deurposten.
Pasen, in het Hebreeuws Pesach, betekent: het voorbijgaan des Heren.
Eigenlijk is het synoniem met 'de redding des Heren'. De auteur wilde
onderstrepen dat God aan de oorsprong van het joodse volk stond, dat
Hij het redde van de ondergang in het vreemde en vijandige Egypte.

De
farao had al gauw spijt dat hij zijn slaven had laten gaan en hij wilde
ze terughalen, met heel zijn leger. Het volk zat klem aan de Rietzee.
Ze werden heel bang maar God zorgde voor een wonder. Nadat Mozes met
zijn staf op het water geslagen had, zakte het water en konden ze
allemaal naar de overkant lopen. De doortocht door de Rietzee is
een van de meest bezongen
gebeurtenissen is uit de joodse geschiedenis? Daarin zag men Gods
machtige hand die zijn volk redde uit de handen van de
Egyptenaren. (Exodus 14)
Het is interessant
te zien hoe dit 'wonder' in de loop der jaren steeds grotere vormen
aannam. In vroegere teksten wordt gesproken over een sterke oostenwind
die juist op tijd de zeearm droogwaait. In latere teksten is het
verhaal wat mooier gemaakt en splitsen de wateren zich zodat het volk
tussen twee watermuren doortrekt. We mogen ook dit verhaal niet zien
als een stukje geschiedenis zoals wij dat tegenwoordig verstaan. In de
bijbelse tijd was het een heel gewone verteltrant, bedoeld om het
geloof in God te onderstrepen.
Hierna trokken de Israëlieten door de woestijn en dat was bepaald geen
luilekkerland.

Kwartels zijn logge trekvogels die
in het najaar in grote zwermen de
Middellandse Zee oversteken om in Arabië en Afrika te overwinteren. Na
de lange vlucht boven water strijken zij vermoeid op de kust neer en
kunnen dan gemakkelijk gevangen worden.
Bij manna gaat het om een honingachtige substantie, afkomstig van
schildluizen, of om een zoete harssoort van bepaalde tamarisken. Ook
vandaag de dag wordt het manna nog aangetroffen in het centrale
Sinaigebied.
De woestijn is een droge dorre vlakte. Voldoende water vinden voor heel
het volk en al het vee was een gigantisch probleem.
(Exodus 16)

Water vinden in de woestijn is een
kunst apart. Mozes kreeg er wel
speciale hulp bij.
De bijbelgeleerden denken dat er verschillende groepen Israëlieten uit
Egypte gevlucht zijn, ieder met zijn eigen verhalen. Die verhalen zijn
later samengevat en opgehangen aan de figuur van Mozes, die als een
nieuwe Abraham de grote leider was van het volk.
Een van die groepen kwam in conflict met een van de Bedoeìnenstammen
die in de woestijn woonden. Het verhaal van dit conflict werd
ingevlochten in de verhalen rond Mozes.
Er ontstond een geweldige knokpartij tussen de Iaraëlieten en de
Amalekieten. (Exodus 17)

De tocht door de woestijn werd
(later) door de joden beleefd is als een
soort wordingsgeschiedenis. De vluchtelingen uit Egypte groeiden naar
elkaar toe en werden meer en meer een volk. Maar ook de band met hun
God Jahwe groeide en verdiepte zich. Bij de diverse
schermutselingen met vijandige stammen hadden zij zijn help hard nodig.
De term 'het verbond' typeert deze
episode en heel de verdere geschiedenis van het volk. (Exodus 17)
Het verbond was
de saamhorigheid, de vriendschap, tussen het volk onderling en tussen
God en zijn volk. Deze twee aspecten zijn niet te scheiden. Het verbond
was een soort contract tussen God en zijn volk: als jullie trouw zijn
aan mijn geboden, dan zal ik zorgen dat het jullie goed gaat. Of zoals
het in Exodus 19,5 verwoord wordt: "Als u naar mijn woord luistert en
mijn verbond onderhoudt, dan zult u van alle volken mijn bijzondere
eigendom zijn, want aan Mij behoort de aarde. U zult mijn priesterlijk
koninkrijk en mijn heilig volk zijn.
De berg Sinaï was een hoogtepunt tijdens de tocht door de woestijn.<

In die woestijnperiode groeide er
een nauwe verbondenheid tussen de
stammen onderling en tussen hen en hun God Jahwe. Dit verbond kende ook
regels waaraan ieder zich te houden had. Wij kennen die regels als de
tien geboden. Die vormden a.h.w. de grondwet voor de stammenbond. De
eerste drie geboden betreffen de band met Jahwe, de andere zeven gaan
over de band met elkaar. Ook hier is die te zien hoe saamhorigheid met
elkaar en saamhorigheid met Jahwe nauw samengaan. En zeker de zeven
geboden vertolken diepe levenswaarden die in de aard van elke mens
verankerd liggen.
Volgens het bijbelverhaal kreeg Mozes deze geboden, gegrifd op twee
stenen platen, door God zelf overhandigd. (Exodus 20)
Ook dit gegeven hoeven we
niet te zien als een historische gebeurtenis. Het is veeleer een
schilderachtige weergave van het geloof dat bij de joden bestond dat
deze fundamentele regels van God zelf kwamen, door Hem, de Schepper van
alle leven, gegrifd in de harten van alle mensen.
Naast de bekende tien geboden staat er nog een lange rij geboden en
verboden opgetekend in het boek Exodus (het boek van de uittocht uit
Egypte). Ook de volgende bijbelboeken (Deuteronomium, Numeri en
Leviticus) staan er vol van. In de joodse traditie gaat het om de Tora,
meestal vertaald met De Wet. Toch geeft die vertaling de eigenlijke
betekenis van het Hebreeuwse begrip Tora maar gebrekkig meer: daar gaat
het veel meer om een fundamentele gids door het leven.
Vele wetjes en regeltjes weerspiegelen de opvattingen van die tijd, ook
de hardheid van de toenmalige samenleving. Er staat bijvoorbeeld
ergens: een tovenares mag u niet in leven laten. Dat is zo'n
tijdgebonden opvatting waar we niets mee kunnen. Maar een paar regels
verder staat: u mag een vreemdeling niet slecht behandelen en hem het
leven niet moeilijk maken. Zo'n regel gaat ook nu nog volop op.

In de oude tijd was een beeld van
je god maken, de gewoonste zaak van
de wereld. In Egypte hadden de Israëlieten ook al veel godenbeelden
gezien.
De gouden stier was geen beeld van een vreemde god, dus geen vorm van
afgoderij. In die stier vereerden zij hun eigen god, die zich
gemanifesteerd had als een sterke god.
In die tijd had ook elk volk zijn eigen goden, die ook alleen maar
macht hadden in dat bepaalde gebied. Maar de god van Israël had zijn
macht laten zien in Egypte. Zijn macht was dus niet beperkt tot een
bepaald gebied maar wereldwijd.
In Israël was het ook verboden om een beeld van god te maken, om aan te
geven dat hun god geen mensenwerk was, zoals de andere goden.
(Exodus 32)

In exodus 24 wordt verteld dat
Mozes, Aäron en nog zeventig oudsten
ontboden werden op de Sinï en daar kreeg Mozes nog een hele reeks
bepalingen van het verbond met God te horen. Die legde hij aan het volk
voor dat beloofde trouw te zijn aan alle woorden en bepalingen. Het
verbond met God werd bevestigd met een slachtoffer.
Mozes kreeg ook de opdracht om de "tent van het Verbond" te
vervaardigen en daarin de "ark des verbonds" te plaatsen. Daar moest
ook het altaar komen. Dat zou in de toekomst de plek zijn waar God met
zijn volk zou spreken. De uitvoering van tent en ark werden nauwkeurig
vastgelegd. Aäron en zijn zonen werden benoemd tot priesters van het
heiligdom. Ook moesten er twaalf stenen zijn met erop de namen van de
twaalf zonen van Israël.
Reizen door de woestijn is een riskante onderneming. Je verdwaalt er
heel gemakkelijk. Maar de Heer wees het volk de weg door de
woestijn.
(Expdus 32)

Telkens als de Israëlieten verder
trokken, moest de tent en de ark
verplaatst worden. Maar als Moze de tent binnenging, daalde de
wolkkolom daar neer en onderhield god zich met Mozes, volgens het
verhaal. Nu is dat in de joodse traditie een gewone manier van spreken:
alles werd god in de mond gelegd, om daar gezag aan te geven. Het leven
in de woestijn was geen lolletje. Onder de reizigers kreeg je soms
misverstanden en ruzies. Zo kwam Mirjam, de zus van Mozes, tegen hem in
opstand omdat ze jaloers was op de vrouw van Aäron.
(Numeri 9)

Niets menselijks was de
Israëlieten
vreemd. Rivaliteit en jaloezie.
Miriam werd gestraft met melaatsheid, een ziekte die in die tijd vaker
voorkwam. Melaatsen werd uitgesloten uit de gemeenschap.
Toen ze vlak bij het beloofde land waren aangekomen, stuurde Mozes er
twaalf verkenners naartoe.
(Numeri 12)

Toen ze in de buurt van Kanaän
gekomen waren, stuurde Mozes verkenners
uit om eens rond te kijken. Hun opdracht was: "Stel vast wat het voor
een land is, of het volk er sterk is of zwak, gering in aantal of
talrijk; of het land waarin het woont, goed is of slecht, en of het
volk in open plaatsen of in versterkte steden woont; of de grond
vruchtbaar is of schraal, en of er bomen zijn of niet. Gedraag u moedig
en breng ook wat vruchten van het land mee." Het was juist de tijd van
de eerste druiven. (Num.13,18-20)
Toen deze verkenners na 40 dagen weer terug kwamen, beladen met een
ruisachtige druiventros. Ze rapporteerden dat het een land van melk en
honing was, maar de mensen die er woonden waren volgens hen
verschrikkelijk sterk. Daar konden nooit tegenop. Dat land veroveren
zagen ze helemaal niet zitten. En dus bleven ze nog maar een poosje in
de woestijn, wat ook niet alles was.
Reizend door de woestijn kun je van alles meemaken, ook aanvallen van
giftige slangen.
(Numeri 13)

Het volk was weer eens enorm
opstandig. Dat leven in de woestijn was
beslist geen pretje. God strafte het volk door vuuspuwende slangen te
sturen. Als je door zo'n slang gebeten werd, kwam de dood heel snel.
Van schrik bekeerde het volk zich weer en vroeg om vergiffenis. Toen
kreeg Mozes de opdracht om een bronzen slang te maken. Wie gebeten was
en naar die slang opkeek, bleef in leven.
Mozes was de grote leider van het volk maar hij had niet het eeuwige
leven. (Numeri 21)

Mozes staat in de joodse traditie
als de grote leider, die het volk
namens god uit Egypte wegvoerde naar het beloofde land. Mozes zelf zou
het beloofde land niet binnen gaan. Dar was een straf omdat zijn geloof
in gods macht niet altijd groot genoeg was. Bovendien had hij niet het
eeuwige leven, ook al was hij volgens het verhaal 120 jaar toen hij
stierf.
Voor zijn dood had hij Jozua aangewezen als de nieuwe leider en ook
nog, namens god, aanwijzigingen gegeven om Kanaän binnen te trekken.
Na veertig jaar door de woestijn gezworven te hebben stond het volk aan
de grens van het beloofde land. Jozua stuurde opnieuw spionnen het land
in om het te verkennen.
(Deuteronomium 34)

De twee verkenners door Jozua
uitgezonden rapporteerden dat de bewoners
van Kanaän al brang waren voor de Israëlieten. Daarop gaf Jezus het
bevel de Jordaan over te trekken. de eerste stap om delen van Kanaän te
veroveren. Juist als bij de doortocht van de Rietzee, viel ook nu de
Jordaan op wonderbaarlijke wijze droog.
Rond 1200 voor Christus trokken de Israëlieten kanaän binnen? (Jozua 2)
Uit
andere bronnen is bekend dat de wereld in het Midden Oosten flink in
beweging was, al eeuwen lang, met een hoogtepunt rond 1200. Telkens
opnieuw probeerden met name nomaden-stammen binnen te dringen in het
cultuurland. Soms lukte dit, soms werden zij door de sterkere
stedenbewoners teruggedreven.
Kanaän was een land van landbouwers, die samenwoonden in steden
(dorpjes in onze begrippen) en elke stad was een eigen staatje. Hun
leiders waren soms zelfstandig, maar meestal vazallen van Egypte. Er
was veel strijd tussen de verschillende steden.
Lang voor 1200 hadden enkele nomadenstammen kans gezien Kanaän binnen
te dringen. Rond 1200 arriveerden er nieuwe groepen, m.n. uit Egypte,
waaronder de Mozes-groep, die Jahwe als hun God vereerden. In ongeveer
diezelfde tijd kwamen er ook van de andere kant binnendringers: de
Filistijnen (van hen komt de naam Palestina) Ze kwamen waarschijnlijk
van Kreta. De Filistijnen hadden een vrij hoge beschaving, veel hoger
dan die van de nomadenstammen. De Filistijnen zijn in de latere
gescheidenis de grootste vijanden van de Israëlieten.

De besnijdenis is oorspronkelijk
een ritus die inwijdt tot het huwelijk
en het volwaardig lidmaatschap van de stam. In Israël wordt ze op
jeugdige leeftijd uitgevoerd als `teken' van het verbond. Vooral na de
ballingschap groeide het belang van de besnijdenis; het ondergaan van
deze ritus stond gelijk met toetreden tot het uitverkoren volk.
(Jozua 5)

De Israëlieten wilden Kanaän
binnen trekken en stonden voor de muren van de
stad Jericho.
Met Gods hulp, zo wordt er verteld lukte dat op wondrbaarlijke manier.
Dit moment markeert de tijd dat Kanaän bewoond gaat worden door
de
Israëlieten, ook al levert dat veel strijd op met de ooorspronkelijke
bewoners. (Jozua 6)
Waarschijnlijk zijn er twee
invallen van nomaden in Kanaän geweest:
één vanuit het Oosten: deze kreeg de meeste publiciteit: nl. het boek
Jozua; en een andere vanuit het Zuiden. Hiervoor zijn aanwijzingen te
vinden in Rechters 1:10-20.
In het begin was het grondgebied van de binnendringers beperkt tot de
bergstreken. In de vlakte konden zij pas later met veel moeite
doordringen. In I Koningen 20 wordt Jahwe een berggod genoemd.
Eenmaal in de vlakte gingen de nomadenstammen over op landbouw, maar ze
hadden nog heel veel te leren van de gevestigde groepen. Op allerlei
gebied namen zij van alles van hen over: agrarische feesten,
offerriten, tempels en heiligdommen, taal en schrijfwijze, regels voor
de rechtspraak (in een gevestige gemeenschap zijn die nu eenmaal anders
dan in een rondtrekkende gemeenschap.)
Het opvallende is echter dat de binnendringers bijna alles overnamen
van de Kanaänieten, maar niet hun godsdienst. Het geloof in Jahwe stond
weliswaar soms onder grote druk, maar men bleef Hem trouw. Het Jahwisme
breidde zich op de duur zelfs uit over het hele land.
In het vroegere Midden Oosten had elk land zijn eigen goden? Er leefde
de opvatting dat die goden ook alleen maar macht hadden in dat land, en
niet daarbuiten. Daarom was het voor de joden in Egypte ook een
verrassing dat hun God ook daar zijn macht liet voelen.
Toen ze na hun tocht door de woestijn zich vestigden in Kanaän, toen
was het opvallende dat ze ook daar trouw bleven aan Jahwe, hun eigen
God.
In Kanaän kende men El als een hoofdgod, voorgesteld als een schepper,
als een goede en wijze God. Waarschijnlijk hebben oudere nomadenstammen
ten tijde van Abraham bepaalde trekken van El overgenomen. We vinden
diezelfde trekken ook terug in Jahwe.
Naast El waren er nog vele andere goden en godinnen. De meest bekende
zijn Baäl en Astarte. Baäl was de god van de vruchtbaarheid en als
zodanig stond hij het dichtst bij het boerenvolk.
Toen de Mozes-groep met hun geloof in Jahwe zich vestigden in Kanaän,
ontstond er een groot conflict tussen het Jahwisme en de
Baäl-godsdienst. Er zijn meerdere verhalen dat het volk ontrouw werd
aan Jahwe en toch naar Baäl ging.
Toch wist het geloof in Jahwe zich te handhaven en op de duur zelfs de
Baäl-godsdienst helemaal te verdrijven

De tocht van Mozes en de mensen die bij hem waren, was lang niet de
korste weg. Ze maakten zelfs een grote omweg.