De aartsvaders
Na de eerste oerverhalen in de
eerste elf hoofdstukken van Genesis,
volgt een tweede serie oerverhalen, die echter wel wat meer historische
achtergrond hebben van de eerste serie. In de tweede serie gaat het om
de oorsprong van het joodse volk. en de plek van God daarin. Het zijn
de verhalen van de aartsvaders.Abraham, Isaak en Jacob
worden gezien als de
drie aartsvaders in de joodse geschiedenis. Het waren nomadenn
waren in het grijze verleden van het joodse volk? De verhalen rond deze
drie belangrijke figuren moeten we ook niet zien als geschiedenis,
zoals we
nu geschiedenis verstaan. De verhalen rond deze personen zijn
eeuwenlang mondeling doorverteld. Ze zijn pas opgeschreven in de tijd
dat het joodse volk echt een eigen volk was, en dat was pas in de tijd
van de koningen, vanaf ca. 1000 tot 800 voor Christus.
Het verhaal van het Joodse volk begint bij Abraham. Hij wordt gezien
als de oervader van het volk. Daarom begint met hem het verhaal over
het Joodse volk en hun ervaringen met hun God.

De verhalen vinden deels hun
oorsprong vinden in de tradities van de
oude heiligdommen in Kanaän (vanaf ca. 1700 voor Christus), en deels in
de tradities van oude nomadenstammen (vanaf ca. 1600 voor Christus).
Een deel van die oude verhalen is ook te vinden in niet-bijbelse
literatuur uit die streken.
Al die oude verhalen zijn door de bijbelse auteurs samengebracht en
bewerkt tot een geheel met als boodschap: God is met zijn volk
onderweg, al eeuwen lang. Hij heeft een blijvend verbond met hen
gesloten. (Genesis 12)

Abraham, de aartsvader, die
aan het begin van het jodendom staat,
wordt ook door de Moslims vereerd als een aartsvader? Bij hen
heet hij dan Ibrahim.
Hij zou na zijn vertrek uit Ur, enige tijd in Haran (of Charan)
gewoond
hebben. Daar zou ook een broer van hem, Laban geheten, gewoond
hebben.
Haran ligt in het noorden van Mesopotamië.(Genesis 12)

Volgens het boek Genesis kon Sara
geen kinderen krijgen. Voor de oude
nomaden was een zoon hebben ongeveer het allerbelangrijkste in hun
leven.
En als een vrouw geen kinderen kon krijgen was het heel gewoon
dan kinderen bij een slavin te verwekken. Zo had Abraham een zoon van
Hagar, een van de slavinnen. Die zoon heette Ismaël.
( Genesis 15)

Maar toen Sara later onverwacht
alsnog een zoon ter wereld bracht,
had die natuurlijk de eerste rechten.
Genesis vertelt hoe Sara van Abraham eiste dat hij Ismaël en zijn
moeder zou verjagen. Zo wilde zij die eerste rechten van Isaak veilig
stellen. Hoewel Abraham er volgens het verhaal niet veel voor voelde,
deed hij het toch.
Iemand verjagen uit de gemeenschap, letterlijk: iemand de woestijn
injagen was in feite een doodvonnis. Maar met Gods hulp overleefde
Ismaël en hij werd de stamvader van een groot volk. De Moslims zien
zichzelf als dat volk: zij zijn de nazaten van Ismaël.
(Genesis 21)
De naam Isaak betekent 'moge hij
glimlachen' of 'hij heeft
geglimlacht'.
In de bijbelse verhalen wordt Isaak opgevoerd als de zoon van Abraham.
Verschillende hedendaagse bijbelgeleerden vermoeden dat er sprake is
van diverse aartsvaders uit verschillende nomadische stammen in het
toenmalige Midden Oosten. Al die stammen hadden hun eigen verhalen en
overleveringen. Latere vertellers hebben de verschillende personen
samen gebracht in één grote familiegeschiedenis.
Sara schonk Abraham tot zijn grote vreugde toch nog een zoon, Isaak
geheten.

Het verhaal dat Isaak door zijn
vader Abrahem geofferd moest
worden,doet wel erg vreemd aan. Misschien hebt u toen ook wel eens
gedacht: hoe kan God dat nu vragen, een mensenoffer? Het ging op het
laatste moment wel niet door, en het verhaal wordt altijd gezien als
een op de proef stellen van het geloof en de trouw van Abraham. Maar
zelfs dan is en blijft het een vreemd en onbegrijpelijk verhaal.
De achtergrond van dit verhaal is volgens de bijbelgeleerden de
gewoonte om mensenoffers te brengen, die in het grijze verleden bij
stammen in die streken heeft bestaan. Er is in de bijbel nog een
voorbeeld van dit voor ons onbegrijpelijk ritueel te vinden. Hetzelfde
blijkt uit niet-bijbelse bronnen.
Tegen deze achtergrond had het verhaal van Isaak eigenlijk deze
boodschap: de God van Israël wil geen mensenoffers, Hij is tevreden met
dieroffers. Toen dit verhaal eeuwen later werd opgeschreven, toen
mensenoffers niet meer gebracht werden, kreeg dit verhaal zijn latere
betekenis: een beproeving van het geloof van Abraham.
Isaak trouwde met Rebekka, die daarvoor speciaal uit de geboortestreek
van Abraham gehaald werd. (Genesis 22)

Het verhaal van Esau en Jakob
heeft, zoals de meeste van de oude
verhalen, een dubbele laag en is niet bedoeld als een stukje
geschiedenis.
Esau werd gezien als de stamvader van de Edomieten en Jakob de
stamvader van de Israëlieten. Het verhaal van de twee broers moet dan
ook gezien worden in het licht van de rivaliteit tussen deze twee
stammen.
Bij de oude stammen was het een ongeschreven wet dat de oudste zoon het
eerstgeboortrecht had, m.a.w. hij had recht op alle bezittingen van
zijn vader en hij stond in rang boven zijn broers en zeker boven zijn
zussen. Hij kon dus onbeperkt de baas spelen.. (Genesis 25)

Nadat Jakob op slinkse wijze het
eerstegeboorterecht had verkregen, met
de hulp van zijn moeder, vluchtte hij naar naar zijn oom Laban in
Haran. Esau was namelijk woest en dreigde Jakob te vermoorden.
Bovendien vond zijn moeder Rebekka het beter dat hij met een meisje uit
Haran zou trouwen, en niet met een uit Kanaän. En oom Laban had een
paar mooie dochters. Dat kwam dus goed uit.
Het verhaal van Esau en Jakob, de tweeling zonen van Isaak heeft een
dubbele laag en is niet bedoeld als een stukje geschiedenis.
Op sluwe wijze weet Jakob Esau zijn eerstgeboorterecht te ontfutselen,
voor een bord linzensoep. En ook door de intrigues van zijn moeder weet
hij zijn vader te bedriegen en zo zijn aartsvaderlijke zegen te
ontvangen: de bezegeling van het eerstgeboorterecht. Hierdoor heeft
Jakob macht over zijn broer Esau.
In de tijd dat dit verhaal opgetekend werd bestond er vijandschap
tussen twee broedervolken in het gebied: de Edomieten (gezien als de
zonen van Esau) en de Israëlieten (de zonen van Jakob). Het verhaal
diende als een soort bewijs, geprojecteerd naar het verre verleden, dat
de Israëlieten de macht hadden om de Edomieten aan zich te onderwerpen.
Dit gebeurde door koning David. (Genesis 27)

Onderweg had Jakob ook nog even een
onderonsje met God, volgens het
oude verhaal. In een droom werd hem verzekerd dat hij stamvader van een
groot volk zou worden. de belofte aan Abraham werd aan hem herhaald.
De steen waarop Jakob geslapen had, richtte hij op als een wijsteen,
als teken dat die plek "een huis van God" was.
Bij Laban moest hij eerst flink aan het werk voordat hij kon trouwen.
(Genesis 28)

Meer vrouwen hebben was in die
tijd heel gewoon, en slavinnen
functioneerden vaak als hulpvrouwen, zeker als de eigenlijke echtgenote
geen kinderen kon krijgen. Op die manier was het niet zo moeilijk om
een groot gezin te krijgen.
Maar het gaf ook wel vrijwingen tussen de vrouwen die allemaal hun
eigen kinderen graag wilden bevoordelen.

De latere staat Israël omvatte
twaalf stammen. Het getal twaalf is
door de bijbelse vertellers a.h.w. teruggeprojecteerd naar de oertijd,
de tijd van de aartsvaders en zo kwam het dat Jakob twaalf zonen had.
Historisch horen de twaalf namen van de stammen waarschijnlijk bij
twaalf verschillende personen, uit verschillende tijden en
verschillende plaatsen. Maar om de eenheid van het volk te benadrukken
werd Jakob de ene stamvader.
De namen van de twaalf "zonen" van Jakob hebben allemaal een betekenis.
Ruben: Hij heeft neergezien op mijn ellende; Simeon: Hij heeft gehoord;
Levi: Hij zal zich hechten; Juda: Zij zullen prijzen; Dan: Hij heeft
recht gedaan; Naftali: Een harde strijd heb ik gestreden; Gad: Geluk;
Aser: Gelukig; Issakar: Loon; Zebulon: Hij zal blijven; Dina: Vrouwe;
Jozef: Hij moge toevoegen.
Dina is de enige dochter van Jakob. Later kwam Benjamin nog (Rachel was
zijn moeder). Hij was (na het verdwijnen van Jozef) de lievelingszoon
van Jakob.

In hoofdstuk 32 wordt verteld dat
Jakob worstelde met God. Een mooie
symboliek hoe geloven in God een geestelijke worsteling kan zijn. Hij
krijgt van God wel een nieuwe naam: Israël. De verteller wilde nog een
onderstrepen dat Jakob dé stamvader van Israël was.
Was er al vaak vrijwing tussen de twee vrouwen van Jakob, ook tussen de
zonen van Jakob boterde het niet altijd. Jozef was de lievelingszoon
van Jakob, gekregen van zijn lievelingsvrouw Rachel. Dat liet hij
merken en dat gaf veel jaloezie bij de anderen.
Jozef vertelde thuis dat hij een droom had gehad, waarin zijn vader en
zijn broers zich voor hem neerbogen. Daarom hadden ze allemaal een
hekel aan hem en toen ze de kans kregen, wilden ze hem een lesje leren.
(Genesis 37)

Het scheelde niet veel of Jozef was
door zijn broers vermoord.
Uiteindelijk werd hij als slaaf verkocht en naar Egypte gevoerd. Daar
werd hij tewerk gesteld in het huis van een rijke Egyptenaar, Potifar
genaamd. Het ging het bijzonder goed daar, en hij klom op tot een hoge
positie in het huis van zijn meester.
Door jalouzie van diens vrouw raakte Kozef echter zijn positie kwijt en
belandde hij in de gevangenis. (Genesis 37)

In
de gevangenis bleek Jozef over
een bijzondere gave te beschikken:
hij kon dromen uitleggen. De droom van de opperschenker (dat hij zijn
beroep weer uit mocht gaan oefenen) en die van de bakker (dat hij
gedood zou worden) waren uitgekomen. Hij werd ook buiten de gevangenis
bekend om zijn gave. Zo werd hij op een keer ook bij de
farao geroepen omdat die een vreemde droom had gehad.
(Genesis 39)

Zeven vette jaren worden gevolgd door zeven magere jaren. Dat was de
conclusie van Jozef na het aanhoren van de droom van de farao.
Deze geloofde de
uitleg van Jozef en meer nog: hij gaf hem een bijzondere positie in
zijn rijk. Van slaaf en gevangene werd Jozef opeens een machtig man.
Hij had de tak om het land te behoeden voor hongersnood in de komende
magere jaren.
(Genesis 41)

Toen de magere jaren aangebroken
waren, ontstond er een groot tekort
aan voedsel. Maar in Egypte was voor grote voorraden gezorgd en dus was
daar genoeg te eten.Ook buiten Egypte heerste er hongersnood. Ook Jakob
en zijn gezin kregen er mee te maken. Hij gaf zijn zoons opdracht op
naar Egypte te gaan om koren te halen. Dat deden ze.
Jozef herkende zijn broers meteen, zij hem niet. Jozef maakte zich ook
niet bekend en speelde een pesterig spelletje met hen. Toen ze met het
koren thuis aangekomen waren, stond hun een verrassing te wachten.
(Genesis 42)

De hongersnood bleef duren en
opnieuw trokken de broers van Jozef naar
Egypte om koren te kopen, nu was Benjamin erbij. Het kostte Jakob
verschrikkelijk veel moeite om hem te laten gaan. Ze zijn doodsbang
voor de machthebber in Egypte, maar Jozef nodigt hen uit voor een
etentje. Hij was heel ontroerd en had moeite zich goed te houden. Maar
ook nu speelde hij een spelletje met hen. Ook nu kwamen ze voor een
onaangename verassing te staan.
(Genesis 43,44)

Het verhaal van Jozef heeft een
happy end. Hij verzoent zich met zijn
broers. De farao zegt tegen Jozef heel zijn familie naar Egypte te
laten komen om daar onbezorgd verder te leven. Jakob kon eerst niet
geloven dat Jozef nog leefde. Het weerzien was voor beide heel
emotioneel.
(Genesis 45, 46)

Jozef en zijn familie breidde zich
gestadig uit in Egypte en vanuit
zijn machtspositie wist Jozes ook de positie van de farao te
versterken. Eerst werd er voedsel gekocht voor geld. Toen dat op was
werd er betaald met vee. En tenslotte werden akkers verruild voor
voedsel.
Vlak voor zijn dood zegende Jakob zijn zoon Jozef en diens twee zonen
Efraïm en Manasse. Manasse was de oudste, maar Jakob gaf zijn zegen
eerst aan Efraïm. (Genesis 48)