Lezingen: Jesaja 22,15.18-23; MatteŁs 16,13-20

Eenentwintigste zondag door het jaar 1999

Ik wil u vandaag een geschiedenislesje geven, en dat naar aanleiding van het evangelie en vanwege de ramp die zich de afgelopen week voltrokken heeft in Turkije. Een van de steden met veel verwoestingen en doden is Istamboel. Heel lang geleden heette die stad Constantinopel en het was toentertijd een belangrijk centrum van het christendom.
In de eerste eeuwen waren er vijf belangrijke centra of patriarchaten: Jerusalem, AntiochiŽ, AlexandriŽ, Constantinopel en Rome. Ze waren oorspronkelijk allemaal min of meer gelijkwaardig aan elkaar, maar door de tijden heen breidde het patriarchaat van Rome, het Rooms-Katholieke Kerk zich enorm uit, over heel West-Europa, terwijl de Oosterse patriarchaten, de Oosters-Katholieke kerken, steeds kleiner werden door de opkomst van de Islam.
En ook de onderlinge verschillen werden steeds groter. De Oosterse kerken hadden vooral aandacht voor het heilige, het mysterie, je vindt dat nog steeds terug in hun kerkgebouwen en eredienst.
In het westen ging men steeds meer denken in formules, om zo vat te krijgen op een ongrijpbare werkelijkheid: men probeerde de geloofsgeheimen zo goed mogelijk te formuleren, want dan wist iedereen precies waar hij zich aan te houden had. Maar men vergat wel eens wat al te gemakkelijk dat geloofszaken niet altijd in formules te gieten zijn en dat men soms de werkelijkheid, het mysterie, tekort doet als men het wel op grote schaal probeert te doen.
De ouderen van u hebben allemaal nog wel de catechismus gekend, dat boekje vol weetjes en formules dat iedereen van buiten moest leren, nodig geacht om te kunnen geloven maar in werkelijkheid stond het de geloofsverdieping meestal meer in de weg dan dat die bevorderde.
Een andere ontwikkeling in de Westerse Kerk, de Rooms-Katholieke Kerk, was haar groeiende politieke macht, met alle nadelen vandien.
Vroeger droeg de paus een tiara, een driedubbele kroon, en dat betekende dat de paus grotere macht had dan de keizer en de koning. Ook bisschoppen waren vaak meer prins of hertog dan geestelijk herder.
Die politieke macht heeft niets te maken met de boodschap van Jezus, het heeft die boodschap vaak vertekend en veel schade berokkend. Een restant van die politieke macht vinden we nog in de pauselijke staat, ook nu is de paus, minstens op papier, nog staatshoofd. Ook heeft de paus altijd grote geestelijke macht gehad: Hij maakte uit wat de gelovige te geloven hadden. Als de paus sprak, dan had iedereen te luisteren, en wie niet luisterde werd in de ban gedaan of zelfs vervolgd en gemarteld. De Middeleeuwse Inquisitie en haar praktijken hoort bij de zwarte bladzijden uit onze kerkgeschiedenis.
In feite was dat soort handelen totaal onchristelijk, absoluut in tegenspraak met Jezus' boodschap van liefde. Dat was de geschiedenis, het verleden, maar is het nu zoveel anders?
Laatst zei een moeder, die rond het dopen van haar kind, een forse aanvaring had met de pastoor van haar parochie: het katholieke geloof, dat wil ik bewaren, maar de katholieke kerk, die hoeft van mij niet meer. Het was al heel mooi dat ze dat onderscheid maakte. Er zijn er tegenwoordig ook velen die helemaal afhaken alleen omdat ze het niet eens zijn met het instituut, de organisatie Kerk, met wat gezagsdragers in die kerk zeggen.
Jammer genoeg maken ook kerkleiders van nu zich vaak druk over formules, over al dan niet goed gekeurde teksten, over allerlei bijkomstigheden. En het verdrietige daarbij is: als zij iets goeds zeggen, en dat doen ze ook wel eens, dan luistert er (bijna) niemand meer omdat het uit die hoek komt.
Petrus was de steenrots waarop Jezus zijn kerk bouwde, Jezus koos Petrus (en de andere apostelen) niet omdat ze zo geleerd waren en evenmin omdat ze grote bestuurlijke kwaliteiten hadden. Hij koos Petrus (en de anderen) omdat ze geloofden, in hem, in zijn idealen.
Jezus zelf heeft zich nooit druk gemaakt over formules en zo: in tegendeel, hij ergerde zich gruwelijk aan de joodse wetgeleerden die dat juist tot in de kleinste details deden. Hij sprak de taal van het volk, ze verstonden hem.
Jezus maakte zich niet druk om gezagsstructuren: hij matigde zichzelf ook geen gezag aan: ik ben gekomen om te dienen en niet om gediend te worden en dat vraagt hij ook van zijn volgelingen.
De paus tekent brieven met de titel servus servorum: dienaar der dienaren. Dat is een hele treffende titel, die ook precies zijn positie weergeeft zoals Jezus die in gedachten gehad moet hebben.
Elke volgeling van Jezus, elke gelovige, moet dienaar zijn, moet zich dienstbaar maken aan medemensen, moet die dienende houding van Jezus tot de zijne maken. Elke bisschop moet de gelovigen daarin voorgaan, en de bisschop van Rome moet dienaar van de dienaren zijn. Als hij dat eens wat meer zou zijn, dan zou er wellicht ook meer naar hem geluisterd worden.

Gebeden en teksten bij deze zondag

Eenentwintigste zondag door het jaar 2002

"Het schuifje krijgen", ik weet niet of u die uitdrukking kent, De jongere generatie kent ze zeker niet kent, de oudere generatie misschien wel. De term komt namelijk uit de tijd dat er gebiecht moest worden. Het kon wel eens gebeuren dat de absolutie geweigerd werd, omdat de biechtvader niet tevreden was met de biecht. Dan kreeg je het schuifje, zo heette dat in de volksmond. We kunnen er nu mee lachen maar toen kon dat een heel pijnlijke ervaring zijn, want als je met je doodzonden bleef zitten, dan had je een groot probleem.
Het schuifje krijgen was bijna zoiets als de deur naar de hemel voor je neus dichtgegooid krijgen. Nu was er in de praktijk nog wel eens een mouw aan te passen: als je van de pastoor geen absolutie kreeg, dan kon je altijd nog naar de Franciscanen of Capucijnen, die waren meestal wat milder.
Maar op de achtergrond stond toch altijd die Petrus aan de hemelpoort, en als je van hem het schuifje kreeg, dan was je verloren. Want hij had de sleutels tot de hemel en hij kon je binnen laten of buiten sluiten. Rond dit thema zijn allerlei leuke verhaaltjes bedacht, maar in wezen ging het voor velen om een bloedserieuze zaak.
Ik ben ervan overtuigd dat die manier van denken, die bangmakerij, nooit zo door Jezus bedoeld is: het gaat in tegen heel zijn blijde boodschap.
Jezus zelf was een sleutelfiguur: hij was het die de poort van het rijk der hemelen ontsloten heeft, hij was zelf de poort, en iedereen roept hij toe: kom toch binnen, kom en volg mij. Dat binnengaan moeten we niet te letterlijk verstaan, als door een poort gaan en zo een soort luilekkerland binnentreden. Dat is een wat al te simpel beeld van het rijk der hemelen: Dat rijk binnengaan betekent op de eerste plaats: zelf een ander mens worden. Het is niet voor niets dat in Jezus' prediking zo vaak het "bekeert u" klinkt.
Het gaat om een verandering, een verbetering van je zelf, waardoor ons aardse leven en samenleven goed/beter wordt, en daar is Jezus de sleutel van. En als hij tegen Petrus zegt: ik vertrouw jou de sleutels toe van het rijk der hemelen, dan gaat het daarbij niet zozeer om een machtspositie: zo van: jij kunt binnenlaten of buitensluiten wie je wilt, maar dan gaat het veel meer om een vertrouwenspositie, zoals ook nu mensen de sleutel van hun huis toevertrouwen aan hun kinderen, goede buren of vrienden: en vaak betekent dat, zeker in de vakantieperiode: wil voor mijn huis zorgen als ik er niet ben. Bij Petrus betekent dat ook: als ik er niet ben, zorg dan voor mijn huis, voor mijn werk, mijn blijde boodschap, want die moet doorgaan.
Deze tekst wordt vaak aangehaald om de macht van de paus aan te geven, de paus is immers de opvolger van Petrus. Maar nogmaals het gaat niet om een macht maar om vertrouwen. Net als Jezus moet ook Petrus, en dus al zijn opvolgers, een sleutelfiguur zijn voor het rijk der hemelen, niet om mensen buiten te sluiten, niet om mensen te excommuniceren, maar juist om hen naar binnen te leiden en binnen te roepen.
Net als Jezus moet Petrus, en dus al zijn opvolgers, knellende banden losmaken zodat ze geen pijn meer doen, en banden aanhalen daar waar ze verwaterd zijn of vertroebeld.
Die opdracht aan Petrus, is niet alleen een opdracht aan zijn opvolgers aan paus en bisschoppen: het is een opdracht voor ons allemaal.
Wij zijn allemaal sleuteldragers, wij kunnen allemaal maken dat de poort naar het rijk der hemelen, naar een goede wereld, openstaat, niet alleen voor onszelf, maar ook voor anderen: als wij anderen wat vreugde brengen, wat vrede, wat troost, wat verlichting en zo voor hen de deur naar wat geluk openen.
Maar als wij elkaar het schuifje geven, als we zeggen: ik wil niets met jou te maken hebben, als we onverschillig langs elkaar heen lopen, als we weigeren elkaar te vergeven, of tekort schieten in verdraagzaamheid, dan zitten we op de verkeerde weg, een weg die zeker niet leidt naar het rijk der hemelen. Dan doen we de deur dicht.

Gebeden en teksten bij deze zondag

Eenentwintigste zondag door het jaar 2005

Ik ben helemaal niet muzikaal maar als ik muziek hoor dan ik herken best bepaalde genres zoals klassiek, jazz, pop. Als ik de vier jaargetijden van Vivaldi hoor, dan herken ik dat wel. Echte muziekkenners herkennen natuurlijk veel en veel neer. Niet alleen herkennen zij in veel gevallen de componist maar ook nog het orkest dat het speelt of het koor dat het zingt. Om zo vertrouwd te zijn met de muziek, moet je er ook echt aandacht voor hebben en je erin verdiepen.
Hetzelfde kun je zeggen als het gaat om mensen. Als je in een stad als Amsterdam of Rotterdam loopt dan is het niet moeilijk om mensen te herkennen als blank, zwart, Noord-Afrikaans of Chinees. En mensen die er oog voor hebben kunnen zien of iemand uit Noord Europa komt of uit Zuid of Oost Europa. Een mensen die verstand hebben van talen en dialecten kunnen vaak herkennen uit welke streek iemand komt. Het vraagt wel dat je echt aandacht hebt voor mensen, dat je je verdiept in mensen en hun uiterlijke kenmerken.
Uit de verschillende evangelieverhalen blijkt dat Jezus herkend werd als een bijzondere figuur, als een buitenbeentje. Hij ging om met mensen waar anderen met een grote boog omheen liepen, hij trok zich weinig of niets aan van bestaande gebruiken en regeltjes. In de ogen van de FarizeeŽn was hij daarom een grote lastpost, een gevaarlijke nieuwlichter die rebelleerde tegen het wettige gezag.
Maar de gewone mensen herkenden in Jezus heel iets anders. Ze zagen hoe hij altijd aandacht had voor de mens die in de knel zat, dat hij mensen bemoedigde en inspireerde, dat hij het nieuwe hoop gaf en dus ook nieuwe toekomst. Zij herkenden in hem iets van de profeten, zoals Johannes de Doper die ze zelf nog gekend hadden, of zoals de oude profeten uit het verleden.
En Petrus gaat nog een stap verder: hij herkent in Jezus de beloofde messias, gezonden door God. Jezus' woorden en daden hebben zo'n indruk op hem gemaakt, dat hij ziet en voelt: deze man komt van God. Dat kon hij zien en voelen omdat hij heel nauw met Jezus opgetrokken was, omdat hij hem van heel nabij had leren kennen.
Dat geldt ook voor ons: We kunnen Jezus alleen kennen en herkennen als we ons verdiepen in zijn persoon, in zijn woorden en daden. Nu ligt dat voor ons natuurlijk totaal anders dan voor Jezus tijdgenoten. Die konden hem letterlijk zien en horen, en zo komt iemand echt tot leven. Wij moeten het doen met de evangelieverhalen en alles wat de predikanten eromheen vertellen. Voor ons is het natuurlijk veel moeilijker om die Jezus van toen ook nu echt tot leven te doen komen.

Het probleem van ons , gelovigen van deze tijd, is dat de Jezus van toen in de loop van de tijd verweven werd met allerlei dogmatisch waarheden en regels en wetten, waardoor zijn beeld versteend is, verkleurd, verbleekt. Daardoor kan hij maar moeilijk echt tot leven komen in ons, daarom kan hij ons ook zo moeilijk inspireren.
Het probleem van onze tijd is ook dat velen niet de moeite doe om Jezus nader te leren kennen. Als je mensen vraagt of ze christen zijn, katholiek, dan zeggen ze wellicht ja, maar als je vraagt wat Jezus voor hen betekent, dan staan ze vaak met een mond vol tanden.
Bij de eerste communievoorbereiding wordt de ouders de vraag voorgelegd of ze vinden dat bijbelverhalen bij een christelijke opvoeding horen. En het antwoord is in veel gevallen negatief. Dat vind ik heel zorgelijk.
Wil je gelovig zijn in de christelijke traditie, dan moet je ook aandacht hebben voor de woorden en daden van Jezus. Dan moet je vertrouwd zijn met zijn persoon, zoals Petrus dat was. Alleen als je zo vertrouwd bent met Jezus kun je hem herkennen en herkenbaar maken in je eigen leven, in je doen en laten. Alleen dan komt hij ook in onze tijd echt tot leven.
Gebeden en teksten bij deze zondag