Lezingen: Genesis 12, 1-5; MatteŁs 17,1-9)

Tweede zondag van de veertigdagentijd 2002

Wie van sport houdt, kan op de televisie zijn hart ophalen. Voetbal is misschien de hoofdmoot, maar ook andere sporten komen aan bod. En ze willen allemaal winnen en daar hebben ze enorm veel voor over. Ze trainen en trainen en bij de wedstrijden zelf gaan ze tot het uiterste. Ze rennen of rijden zich kapot. Wil je de top bereiken dan moet je er heel veel voor over hebben. En vergeet niet: ze worden niet gedwongen, ze hebben er vrijwillig voor gekozen, maar het vraagt wel heel veel.
Ik heb een sportcommentator eens kritiek horen leveren op de Nederlandse profvoetballers. Hij noemde hen verwende lui, over het paard getild, ze gaven zich niet meer tot het uiterste, want ze verdienden hun geld toch wel. Ik kan niet oordelen of die kritiek terecht is, maar het zou kunnen.
Soortgelijke kritiek zou je misschien ook kunnen ventileren naar veel christenen toe, naar hen die de weg van Jezus Christus willen gaan. Ze geven zich niet meer tot het uiterste. Het moet tegenwoordig allemaal maar gemakkelijk zijn. Moeilijke dingen doen is uit de tijd.
Nu gaat het hier natuurlijk niet om de geleverde prestaties, het gaat niet om de vraag wie nu de beste is, de braafste, de heiligste. Het gaat niet om een gouden medaille voor goed gedrag, maar het gaat wel om geluk voor jezelf, geluk voor de gemeenschap. Wat hebben we daarvoor over?
We hebben gekozen voor de weg van Jezus Christus, maar wat hebben we ervoor over om die keuze in te vullen. We willen allemaal graag op de top van de berg staan om gelukzalig te genieten van het prachtige uitzicht. Maar wil je ervan kunnen genieten, moet je wel eerst naar boven. En tegen die berg omhoog klimmen, dat is hijgen en zuchten, dat is afzien, en dat is iets wat velen er niet voor over hebben. En dus komen velen nooit aan dat prachtige uitzicht toe.
Sommigen hebben misschien het geluk dat ze op een gemakkelijke manier naar boven kunnen komen, maar meestal vraagt het grote inspanningen, en dat is vaak teveel gevraagd. En dus vinden velen niet het echte geluk in hun leven.
Ik wil niet suggereren dat we weer moeten gaan vasten zoals vroeger, dat we het moeilijk moeten maken voor onszelf, ook al kan dat best een heilzame uitwerking hebben. Maar ik denk veel meer aan het maken van een keuze in je leven, de keuze voor een christelijk leven, leven volgens Jezus' idealen, en trouw blijven aan die idealen ook als dat moeilijk wordt, ook als het een haast onbeklimbare berg lijkt.
In het evangelie hoorden we hoe Jezus met enkele leerlingen op een berg is en zijn leerlingen hebben een heel bijzondere ervaring; een droom, een visioen, iets wat ze prachtig vinden. Laten we hier drie tenten bouwen, laten dit blijven, dit is geweldig. Hier was iets hemels aan de gang, alleen die stem uit de hemel, dat was wel even schrikken.
Wij denken wellicht: ik zou best een stem uit de hemel willen horen, dan zou geloven voor mij heel wat gemakkelijker worden. Maar dat is nog maar de vraag? Net als in het verhaal zouden we er waarschijnlijk alleen maar van schrikken. Even hadden de leerlingen hun hoofd in de wolken, maar dan komen ze weer met beide benen op de grond te staan. het was een mooie ervaring maar ze waren nog niet echt op de berg, er moest nog een hele klimpartij komen.
Jezus' ware heerlijkheid zou pas komen na Pasen, en de weg naar Pasen was een weg door lijden en dood, dus een zware en moeilijke weg. Op die weg toonde Jezus dat hij trouw was aan zijn levensopdracht, trouw aan de keuze die hij gemaakt had om dienaar van God te zijn, ondanks de risico's die daaraan vastzaten, ondanks de dreiging van lijden en dood. Die trouw door dik en dun is bij Jezus' volgelingen soms ver te zoeken.

Gebeden en teksten bij deze zondag

Tweede zondag van de veertigdagentijd 2005

Misschien bent u wel eens op vakantie geweest in de bergen. Dan weet u dat het omhoog lopen een hele inspanning is, je tong op je schoenen. Maar bijna altijd wordt beloond met een schitterend uitzicht, zo mooi dat je je vermoeidheid vergeet. De natuur, het werk van Gods schepping, herbergt verschrikkelijk veel moois.
Jammer genoeg nemen velen de moeite niet om het prachtige in de natuur te zien. En erger nog: velen nemen de moeite niet om het mooie te bewaren, juist het tegendeel: ze maken veel kapot.
De mens is het voornaamste maaksel van Gods handen, het hoogtepunt van heel zijn schepping. Ook de mens herbergt verschrikkelijk veel moois in zich. Jammer genoeg maakt de mens ook heel veel kapot, in zichzelf, in anderen.
Wat Gods schepping en heel de mensengemeenschap bedreigt is niet zozeer de kwade wil om te vernietigen maar veel de onverschilligheid van velen, de nonchalante en kortzichtige manier waarop zij omgaan met het vele mooie en goede dat er is.
Heel bedreigend is ook dat velen die niet onverschillig zijn toch al gauw zeggen: daar kunnen we toch niets aan doen. Met klagen: alles gaat bergafwaarts, alles gaat verkeerd, daarmee bereik je niets. We doen er beter aan te kijken naar mensen die wel ook in deze tijd het mooie en goede laten zien.
Als je ze maar zien wilt zijn er ook nu van die schitterende mensen, mensen die een grote innerlijke schoonheid en kracht uitstralen, mensen die indruk op je maken om hun levenswijsheid, hun levensmoed, hun vergaande goedheid, om alles wat zij voor de gemeenschap doen.
Er zijn van die pracht mensen voor wie je grote bewondering hebt, van wie je denkt: zo zou ik ook willen zijn. Tegelijk hebben we het gevoel dat zij ergens op een hoge berg staan, en we denken al gauw: die berg beklimmen dat lukt me toch nooit. Maar we vergeten dat die mensen ook niet vanzelf op zo'n grote hoogte terecht gekomen zijn, ook zij hebben er heel wat voor over moeten hebben. Maar het loont de moeite.
Jezus was ook zo'n schitterende mens. Het evangelie van vandaag onderstreept dat op bijzondere wijze. Heel zijn leven, zijn boodschap, zijn daden, ze stralen een licht uit, maar ook hem heeft dat veel gekost. Het is opvallend dat er in dit evangelie staat dat zij spraken over hetgeen er te gebeuren stond in Jeruzalem, m.a.w. zijn kruisgang naar de Calvarieberg.
Wij noemen ons Jezus' volgelingen en als we dat serieus nemen dan moeten ook wij lichtende voorbeelden zijn van zijn blijde boodschap, dan moeten ook wij zijn zorg voor mens en schepping uitstralen in de manier waarop we omgaan met elkaar en de natuur. En laten we niet te gauw zeggen: dat kan ik toch niet. We kunnen vaak veel meer dan we denken. En als we er de moeite voor nemen, als het ons ook iets mag kosten, dan kunnen ook wij vaak veel moois, veel goeds bewonderen.

Gebeden en teksten bij deze zondag

Tweede zondag van de veertigdagentijd 2008

Als je op een berg staat of op een hoge heuvel, dan kun je bijna altijd genieten van een schitterend uitzicht. Er kan er een gevoel van gelukzaligheid in je naar boven komen. Dat is dan een fijne beloning voor de inspanning die je gedaan hebt om naar boven te klimmen, want dat kan heel vermoeiend zijn. Dat geluksgevoel van de top is echter meestal maar tijdelijk, want je moet toch ook weer de berg af, het dal in.
In ons leven dromen we allemaal van geluk en zaligheid, maar dat komt niet uit de lucht vallen, je moet er wel wat voor over hebben. Je moet op weg durven gaan in de hoop iets van het geluk te vinden, en dat kan wel eens veel weg hebben van een berg beklimmen, zodat je onderweg wel eens buiten adem raakt, en er zijn er heel veel die het opgeven omdat ze het te zwaar vinden.
In het evangelie horen we hoe Jezus op de berg een paar gelukzalige momenten beleefd. Denkend aan enkele grote mannen uit het verleden voelde hij zich heel sterk met hen verbonden. De leerlingen die erbij zijn, vinden dat prachtig, laten we drie tenten bouwen, laten we hier nog een poos blijven om te genieten van dit mooie uitzicht. Maar Jezus maakt ze duidelijk dat dit maar een kort moment is, een droom. Om die droom waar te maken moet hij de berg weer af en nog een heel moeizame en zware weg verder gaan.
In de eerste lezing hoorden we hoe Abram op weg ging naar het beloofde land, een land waar alles goed zou zijn. In de bijbel wordt vaak gesproken over het land van melk en honing. Dat klinkt heel mooi, toch moeten we niet denken aan een soort Luilekkerland, een land alles in overvloed is, waar geluk voor het oprapen ligt. Wie daarvan droomt, houdt zichzelf voor de gek.
Het beloofde land is het land waar de mensen Gods wil doen, de samenleving waarin allen leven in vrede met elkaar, waar ze van harte zorgen voor elkaar, zorgen dat niemand iets tekort komt. Het is een land waar mensen elkaar gelukkig proberen te maken. De weg naar dat beloofde land is een lange en moeilijke weg, soms lijkt het veel tegen een steile berg omhoog klimmen en regelmatig weer een eind naar beneden vallen.
Abram werd geroepen op weg te gaan naar het beloofde land. Dat betekende wel dat hij weg moest trekken uit zijn eigen vertrouwde omgeving, weg van de veiligheid en geborgenheid van eigen familie, van de eigen clan, en dat was in die tijd zeker een zaak van levensbelang. Als Abram niet de moed had gehad om die stap te wagen, was hij nooit de vader van alle gelovigen geworden.
Wat voor Abram opgaat, geldt voor alle gelovige mensen van alle tijden. Gelovig zijn betekent toch altijd: op zoek gaan naar het beloofde land het land dat God ons geven wil, het land waar het goed toeven is, niet omdat er een overvloed is aan materiŽle goederen, maar omdat iedereen goede zorg draagt voor de ander. Hiernaar op zoek gaan betekent heel dikwijls: wegtrekken uit je vertrouwde situatie en nieuwe wegen durven gaan.
Kijk maar eens naar een heilige van onze tijd: moeder Teresa. Ze voelde zich geroepen om in het klooster te gaan en daarvoor verliet zij haar familie in AlbaniŽ en trok naar Ierland om zich daar aan te sluiten bij een congregatie van zusters.
Een veel grotere stap deed zij later toen zij in een meisjesschool in India werkte. Toen trok zij weg uit die vertrouwde omgeving om te gaan werken in de achterbuurten van Calcutta bij de armsten der armen. Daar lag voor haar het beloofde land: de plek om te zorgen voor anderen. Dat is niet het soort beloofde land dat wij ons meestal voorstellen, en je moet er niet naartoe gaan om zelf een gelukzalig gevoel te ervaren, zoals je dat op een hoge berg kunt ondervinden.
Moeder Teresa heeft ook nooit dat gelukzalige gevoel gehad.. Vorig jaar zijn er brieven van haar gepubliceerd en daaruit blijkt dat zij bij al haar activiteiten voor de armen toch niets voelde van een hemels geluk en hemels licht. Ze voelde alleen maar dorheid in zichzelf, de God die haar riep leek mijlenweg weg en liet zich niet voelen.
Maar voor de armen in Calcutta en via al haar medezusters voor de armen in heel de wereld realiseerde zij iets van een beloofd land: dat land waar mensen elkaar wat geluk geven in hun goede zorgen voor elkaar.

Gebeden en teksten bij deze zondag

Tweede zondag van de veertigdagentijd 2011

Zo'n 4000 jaar geleden trokken mensen weg uit MesopotamiŽ naar het Westen op zoek naar een betere toekomst. Een van hen kreeg een naam: Abram, later Abraham genoemd. Hij liet veel achter in de hoop op een beter bestaan, hij droomde van een land van melk en honing, de Bijbelse uitdrukking voor welvaart. Maar voordat zijn droom werkelijkheid werd, heeft hij heel moeilijke tijden gekend, zo vertelt ons het Bijbelboek Genesis.
Nu in 2011 vertrekken duizenden Afrikanen uit hun land en gaan op weg naar het noorden, naar Europa, op zoek naar een betere toekomst. Ook zij laten heel veel achter, familie, vrienden, vertrouwde omgeving, maar ook zij dromen van een land van melk en honing en dat hopen ze te vinden in het welvarende Europa. Heel velen van deze welvaartzoekers ontmoeten echter veel teleurstellingen omdat ze als ongewenste vreemdelingen worden behandeld. En verblijvend in asielzoekerscentra zitten ze dicht bij de welvaart maar ze kunnen er niet echt aankomen.
Misschien denkt u: je kunt Abraham toch niet vergelijken met de hedendaagse asielzoekers. Abraham werd toch door God geroepen en op weg gestuurd, en God trok met hem mee op zijn tocht naar het beloofde land. Maar deze teksten uit Genesis moeten we niet letterlijk nemen. In zijn tijd waren er waarschijnlijk veel welvaartzoekers, veel mensen op zoek naar een beter bestaan. Waarschijnlijk werd er rond verteld dat in Kanašn, het huidige IsraŽl, het leven veel beter was dan in hun thuisland. Een van die mensen op zoek naar een beter bestaan heeft een naam gekregen, en zijn goddelijke roeping is een invulling achteraf.
In wezen gaat het hier om de aantrekkingskracht van welvaart, de droom van het beloofde land waar het goed toeven is. En dat is iets van alle tijden: elke mens is op zoek naar geluk in zijn leven, en hoopt op een welvarend en vreedzaam bestaan. Dat geldt voor Abraham, dat geldt voor de Afrikanen van onze tijd, dat geldt ergens ook voor ieder van ons, met dit verschil dat wij niet hoeven te verhuizen naar een ander land, wij zoeken ons levensgeluk meer binnen eigen landsgrenzen.
Ook Jezus' leerlingen waren gelukszoekers. Daar lag voor een deel het motief om met Jezus in zee te gaan. Ze voelden zich aangesproken door zijn prediking en gingen in hem geloven als de beloofde Messias Hij sprak regelmatig over het rijk der hemelen een geestelijk beloofde land waarin liefde en vrede werkelijkheid waren. Op verschillende plaatsen in de evangelieverhalen blijkt dat zij dat rijk der hemelen zagen als een aards koninkrijk, zoals ze dat gekend hadden in de gloriedagen van koning David.
Heel typerend voor deze instelling was de droom dat ze dan belangrijke posten zouden bekleden in dat nieuwe koninkrijk. Jezus probeert ze keer op keer duidelijk te maken dat zijn rijk der hemelen geen aards koninkrijk is maar een geestelijk rijk waarin mensen echt geven om elkaar. Het evangelie van vandaag is eigenlijk zo'n droommoment van de leerlingen: ze dromen van Jezus in zijn glorie, ze zien hem in het rijtje van de grote mensen uit het verleden: Mozes en Elia. En net als bij Abraham wordt hier naar God gewezen: Hij heeft deze Messias toch gezonden naar zijn volk.
Geen wonder dat Petrus dit moment van dromen wil vasthouden: Heer, laten we hier drie tenten bouwen. Maar ook nu maakt Jezus zijn leerlingen duidelijk: dat rijk der hemelen heeft niets te maken met macht en pracht en praal waar de leerlingen van dromen. In dat rijk gaat het om mensen die aandacht en zorg voor elkaar hebben en die daarvoor moeilijke momenten niet uit de weg gaan. Daarom verwijst hij ook even naar het feit dat hij zich zal gaan geven tot in de dood en dan mogen ze verder dromen.
Wij zijn ook allemaal gelukszoekers, op weg naar het beloofde land, een aards Utopia waar alle tijden van gedroomd wordt. Maar we moeten ook beseffen dat dit rijk niet bestaat in materiŽle welvaart maar wel in onze verbondenheid met elkaar, in de manier waarop we die verbondenheid gestalte geven, met elkaar en voor elkaar. Dat is onze roeping.

Gebeden en teksten bij deze zondag