KRUL EN BRUL OP WEG, SAMEN MET DE HOND

Krul, Brul en de hond waren op zoek naar een bijzonder land.
Op een avond lagen ze onder een vijgenboom
dat was een goed plekje om te gaan slapen.
Ze waren nu in de heuvels rond Betlehem, maar dat wisten ze niet.
Ze waren moe, ze hadden de hele dag gelopen.

Aan de dieren die ze tegenkwamen hadden ze gevraagd
waar het land was waar de leeuwen niet stoer hoefden te zijn,
de schapen niet mak en waar honden niet hoefden te blaffen.
Maar iedereen die ze dat vroegen, lachte hen uit.
Wat zijn jullie een stommelingen. Dat land bestaat toch helemaal niet.
"Hoe kun je daar nu in geloven.
Een leeuw moet nu eenmaal stoer zijn en andere dieren opeten
en een schaap moet mak en volgzaam zijn en honden moeten blaffen.
Dat zit nu eenmaal in hun natuur. Daar kun je niets aan veranderen."

En nu lagen ze onder de vijgenboom.
Brul zei: "Zouden ze gelijk hebben.
Bestaat er wel een land waar alle dieren vrienden zijn van elkaar?
Kan dat wel?"
En de hond zei: "Kunnen we niet beter naar huis gaan
en doen wat iedereen van ons verwacht."
Maar Krul keek hen vastberaden aan en zei:
"Ik blijf geloven dat dit land bestaat.
Wij zijn met zijn drien toch ook goede vrienden
terwijl iedereen zegt dat dit eigenlijk niet kan.
Als jullie terug gaan moet je dat zelf weten, maar ik ga verder."

Toen viel er een lange stilte. Ze wisten niet wat ze moesten doen.
En moe als ze waren, kropen ze warmpjes tegen elkaar aan en vielen al gauw in slaap.
Midden in de nacht schrok Krul wakker. De hemel was vol licht.
Hij stootte de anderen aan en zei: "Wordt eens gauw wakker.
Er is iets geks aan de hand. Het is nacht en toch is er volop licht.
Hoe kan dat nou?"
"Ik vind het maar eng," zei Brul. "Dit is niet normaal.
Laten we hier weggaan, misschien is dat licht heel gevaarlijk."
"Wacht eens," zei de hond. "Kijk daar lopen een paar herders.
Er zijn ook een paar schapen bij en een hond.
Die gaan naar het licht."
"Laten we achter hen aangaan," zei Krul.
"Ik wil wel eens weten wat dat licht betekent."

En ze gingen op pad. Krul liep voorop, dan volgde de hond
en ergens achteraan kwam Brul. Hij vertrouwde niet nog niet.
Ze volgden de herders en kwamen een stukje verder bij een stal.
Eerst konden ze niet zien wat daar aan de hand was want de herders stonden ervoor.
Maar na een hele poos gewacht te hebben, zagen ze de herders weggaan
en Krul liep meteen naar de stal toe. De anderen volgden hem.

Toen zagen ze een pasgeboren kindje in een voerbak.
Zijn moeder zat ernaast op wat stro en zijn vader stond tegen de muur geleund.
Vol bewondering keken ze naar het kindje in de voerbak.
Het leek wel alsof hij al dat licht uitstraalde.
Ze schrokken toen ze opeens een zacht geloei hoorden.
Toen zagen ze pas de os en de ezel die achter in de stal stonden.
De os keek boos naar Brul en loeide: "H, leeuwenjong,
maak dat je weg komt. Jij hoort bij de gevaarlijke dieren
en dit kind is het kind van de vrede.
Hij komt de mensen de weg wijzen naar een wereld
waarin alle mensen vrienden zijn."
Brul kroop al een beetje weg achter Krul
maar die keek de os recht in de ogen.
"Wij zijn ook op weg naar een wereld waarin alle dieren vrienden zijn.
Brul en ik en de hond zijn al vrienden.
Ik wil niet dat je mijn vriendje wegjaagt."
"Interessant," balkte de ezel die het allemaal gehoord had.
"Een leeuwenjong, een lam en een hond die vrienden zijn.
Heel interessant. Ik heb altijd geloofd dat dit onmogelijk was.
Maar het kan blijkbaar toch."
"Jonathan," balkte hij tegen de os, "deze drie horen ook bij het kindje thuis.
We dromen allemaal van een wereld
waarin echte vrede is en iedereen met iedereen bevriend is,
waarin niemand gepest wordt en niemand bang hoeft te zijn voor een ander."
En zo gebeurde het dat er in de stal niet alleen een os en een ezel stonden
maar ook een leeuwenjong, een lam en een hond.
En ze voelden zich heel licht worden van binnen.


De os heette blijkbaar Jonathan.

Welke naam zou je de ezel willen geven?


<