De profeet EzekiŽl

De profeest EzekiŽl was een tijdgenoot van Jeremia, Zijn naam betekent "God is mijn sterkte". Hij trad op als profeet bij de joodse ballingen die na 597 voor Christus naar Babylon gedeporteerd waren. Zijn profetieŽn bestrijken ongeveer 20 jaar.
Ook bij EzekiŽl wordt de God van IsraŽl getekend als een strenge en straffende god, maar ook wel als die die toekomst schenkt, een god die zijn volk niet in de steek laat, ook al zijn ze op het verkeerde pad geraakt.
De tempel speelt in de visioenen van EzekiŽl een heel grote rol.

EzekiŽl kreeg een visioen van een storm waarin vier wezens zichtbaar werden. Het was heel indrukwekend. . Toen klonk er een stem die zei: Mensenkind, ik stuur je naar de IsraŽlieten, naar dat weerspannige volk dat tegen mij in opstand is gekomen,  Tot op de dag vanvadaah verztten zij zich tegen mij, zoals ook hun voorouders hebben gedaan. Naar dat volk stuur ik jouen je moet tegen hn zeggen: Dit zegt God, de Heer: En of ze nu horen willen of niet, ze zullen weten dat er een profeet in hun midden is geweest. JIj hebt van hun woorden niets te vrezen, je hoeft voor hen niet bang te zijn." Zo werd EzekiŽl profeet in dienst van de Heerr.  (EzekiŽl 1 en 2)

Toen EzekiŽl een beetje van de schrik bekomen was, hij had er zeven dagen voor nodig, sprak de Heer weer tot hem: "Mensenkind, ik stel jou aan als wachter over de IsraŽlieten: als je mij hoort spreken, moet je hen namens mij waarschuwen. Als ik tegen een slecht mens zeg dat hij sterven zal en jij waarschuwt hem niet, je zegt niets om hem te waarschuwen voor de goddeloze weg die hij is ingeslagen, niets om zijn leven te redden - dan is hij weliswaar een slecht mens die sterft doordat hij zelf schuldig is, maar ik zal jou voor zijn dood ter verantwoording roepen."  (EzekiŽl 3)

Ook EzekiŽl weet in bloemrijke taal Gods straffen over te verwoorden. "Mensenkind, neem een scherp zwaard en gebruik dat als een scheermes om jehoofdhaar en je baard mee af te scheren. Zodra de dagen van beleg voorbij zijn, moet je een derde deel in de stad verbranden, een derde deel buiten de stad met dat zwaard fijn hakken en een derde deel uitstrooien in de wind - ik zal de vluchtelingen met mijn zwaard achtervolgen."   Er komt nog een hele hoop narigheid achteraan. (EzekiŽl 5)

EzekiŽl is echt de boodschappenjongen van god. Hij wordt overal naartoe gestuurd om te vertellen dat god het volk zal straffen om zijn ontrouw. "Mensenkind, richt he blik op de bergen van IsraŽl, en profeteer ertegen. Zeg: Bergen van IsraŽlm luister naar de woorden van God, de Heer. Dit zegt God, de Heer, tegen de bergen en de heuvels, tegen de rivierdalen en de valleien: ik zal jullie treffen met het zwaard en jullie offerhoogten vernietigen. Jullie altaren zullen worden verwoest, je wierookaltaren verbrijzeld."   (EzekiŽ; 6)

"Dit is wat God, de Heer, zegt over het land IsraŽl: Het einde komt, het komt van alle kanten over je. Nu is voor jou het einde aangebroken. Ik zal mijn woede op je koelen, je straffen voor je daden, je laten boeten voor je wangedrag. Ik zal geen medelijden totnen, geen medelijden kennen. Je moet boeten voor je daden, je wangedrag keerst zich tegen je - jullie zullen weten dat ik de Heer ben. Er komt een ramp, een ramp als nooit tevoren, het einde komt. de ondergang voor jullie die dit land bewonen. ""Buiten heerst het zwaard, binnen heersen pest en honger, wie op het veld is, zal sterven door het zwaard, wie in de stad is wordt getroffen door de honger en de past. Wie toch ontkomen, zijn als duiven uit het dal, verdreven naar de bergen, kermend in hun schuld. (EzekiŽl 7)

EzekiŽl wordt van de ene ellende naar de andere gesleept (door de Heer). Nu wordt hij meegenomen naar de tempel in Jeruzalen waar een afgodenbeeld staat, dat uitgebreid vereerd wordt. "Mensenkind, zie je wat ze doen? Zie je hoe vreselijk het volk van IsraŽl zich hier misdraagt en mij uit mijn heiligdom verdrijft."   Nog meer  afgodenverering door de de notabelen van het volk krijgt EzekiŽl te zien. Dat vraagt natuurlijk om vergelding en die komt dan ook meteen. Er wordt een doodvonnis uitgesproken  over akken die zich schuldig gemaakt hebben aan afgodendienst.  (EzekiŽ; 8 en 9)

Het visioen van EzekiŽl in de tempel van Jeruzalem gaat verder. Hij ziet er twaalf notabelen van de stad. De Heer sprak tot mij: Mensenkind, dit zijn de mannen die hier in de stad kwade plannen bedenken en slechte raad geven. Zij zeggen: Voorlopig hoeven we geen huizen te bouwen; de stad is de pot en wij zijn het vlees.  Toen viel de geest van de Heer op mij en Hij beval mij dit te zeggen: Zo spreekt de Heer: Dat zijn uw woorden, volk van IsraŽl, en ook uw plannen ken Ik. U hebt in deze stad veel mensen gedood en de straten zijn met lijken bezaaid. Daarom, zo spreekt de Heer God: De slachtoffers die u hier gemaakt hebt, die zijn het vlees en de stad is de pot, maar u zal Hij eruit halen. Voor het zwaard bent u bang, het zwaard zal Ik over u brengen - godsspraak van de Heer God. Ik zal u uit de stad halen, u overleveren aan barbaren en een strafgericht aan u voltrekken. Door het zwaard zult u vallen, op IsraŽls bodem zal Ik u vonnissen, en u zult weten dat Ik de Heer ben."  (EzekiŽl 11)

Na zijn rondje Juda en Jeruzalem moet EzekiŽl weer aan de slag. "Mensenkind, u woont te midden van een opstandig volk, dat ogen heeft om te zien maar niet ziet, en oren om te horen maar niet hoort; het is nu eenmaal een opstandig volk. Mensenkind, pak zoveel bij elkaar als een balling mee kan nemen en ga overdag, voor hun ogen, in ballingschap. Voor hun ogen moet u uit uw woonplaats vertrekken naar elders. Misschien komen ze dan tot het inzicht dat ze een opstandig volk zijn. Breng de bagage voor uw ballingschap overdag voor hun ogen naar buiten en vertrek voor hun ogen tegen het vallen van de avond als een balling. U moet uw gezicht bedekken, zodat u de grond niet kunt zien; want Ik maak u tot een teken voor het volk van IsraŽl. " (EzekiŽl 12)

De vrouwen hoorden in die tijd in de keuken thuis, maar er waren ook groepen vrouwen actief als profetessen die anderen probeerden te strikken voor hun ideeŽn. Maar de Heer moest er niets van hebben. "Mensenkind, richt u tot de dochters van uw volk die op eigen gezag profeteren; profeteer tegen hen en zeg: Zo spreekt de Heer God: Wee hen die strikken binden om de polsen, en sluiers winden om het hoofd van groot en klein, op jacht naar mensenlevens. Zou u op de levens van mijn volk kunnen jagen en daarbij uw eigen leven behouden? U ontwijdt mijn naam bij mijn volk voor een handvol gerst en een stuk brood; u doodt levens die niet mochten sterven en levens die verdienen te sterven tracht u te behouden, want u misleidt mijn volk, dat naar uw leugens luistert.  Ik zal uw sluiers verscheuren en mijn volk uit uw handen bevrijden; het zal niet langer uw prooi zijn. En u zult erkennen dat Ik de Heer ben, omdat door uw bedrog het hart van de rechtvaardige in nood is geraakt, geheel in strijd met mijn bedoelingen.  (EzekiŽl 13)

EzekiŽ; werd ook door de Heer op zijn vingers getikt. Hij moest het niet erger maken dan het al was. "Hoe komt u erbij in het land van IsraŽl dit spreekwoord te gebruiken: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden van de kinderen zijn er stroef van? Zowaar Ik leef - godspraak van de Heer God - niemand in IsraŽl zal dit spreekwoord nog ooit mogen gebruiken. Alle mensenlevens zijn voor Mij gelijk; het leven van de vader en het leven van de zoon, beide zijn voor Mij evenveel waard; alleen degene die zondigt zal sterven. Als iemand rechtvaardig is en handelt naar wet en recht, geen offermaal houdt op de bergen en zijn ogen niet opslaat naar de afgoden van het volk van IsraŽl; andermans vrouw niet onteert en geen gemeenschap heeft meteen vrouw in haar stonden; niemand verdrukt, aan de schuldenaar het onderpand teruggeeft en zich andermans goed niet toe-eigent; zijn voedsel met de hongerige deelt en de naakte kleding verschaft; niet uitleent tegen rente, geen woekerwinst neemt, zich van onrecht onthoudt en een eerlijk vonnis velt tussen twee partijen; naar mijn voorschriften leeft en nauwgezet mijn geboden onderhoudt: dan blijft deze rechtvaardige in leven - godsspraak van de Heer God.  (EzeliŽl 18)

EzekiŽl  had als spreekbuis van de Heer een druk leven. Op een keer werd hij weer eens in een visioen overgeplaatst naar Juda. Hij zag daar een man, die leek wel van brons en had een linnen snoer en een meetstok in de hand. Hij zag die man alle delen van de tempel opmeten. EzekiŽl  krijgt al doende een uitgebreide rondleiding in het gebouwl. Op het eind kreeg hij een opdracht mee: "Mendenkind, vertel IsraŽl over de tempel, zodat ze zich over hun wangedrag schamen. Laat hen het ontwerp nameten, zodat zij zich schamen over alles wat ze misdeden. Stel hen op de hoogte van de indeling en het ontwerp van de tempel, van de uitgangen en inganen en van alle regelingen en bepalingen. Schrijf ze in hun nabijheid op zodat ze alles nauwgezet uitvoeren." EzekiŽl 40, 41, 42 en 43))

EzekiŽl krijgt in dit uitgebreide visioen ook allerlei instructies mee hoe de tempel weer gebruikt kan worden voor offers. De schoonmaak was wel een beetje een bloederige boel. Daarna krijgt hij de waarschuwing mee dat niet iedereen zomaar binnen mag komen in de tempel. "Mensenkind, kijk goed uit je ogen en schenk aandacht aan alle voorschriften en wetten die ik u geeft met betrekking tot het huis van de Heer.Let goed op wie je in het heiligdom toelaat en wie je uitsluit." "Geen vreemdelingen, onbesneden van hart en lichaam, mag in mijn heiligdom komen, dit geldt voor alle vreemdeleingen in IsraŽl."  (EzekiŽl  43 en 44)

Als de tempel goed gebruikt wordt, dan brengt hij uitgebreid zegen aan het volk. Op een heel plastische wijze wordt dit weergegeven. "Toen bracht hij mij terug naar de ingang van de tempel. Daar zag ik onder de drempel water opwellen en in oostelijke richting stromen; de voorzijde van de tempel ligt immers op het oosten. Het water stroomde eerst zuidwaarts langs de muur en vervolgens langs de zuidkant van het altaar. Hij leidde mij door de noordpoort buitenom naar de oostelijke buitenpoort, en rechts daarvan kwam het water weer tevoorschijn. De man ging verder oostwaarts met de meetstok in de hand en mat een afstand af van duizend el. Daar liet hij mij door het water waden en het kwam tot mijn enkels. Weer mat hij een afstand van duizend el af. Hij liet mij door het water waden en het kwam tot mijn knieŽn. Opnieuw mat hij een afstand van duizend el af; hij liet mij door het water waden en het kwam tot mijn middel. Nog eens mat hij een afstand van duizend el af; nu was het een rivier, ik kon er niet meer doorheen waden. Het water was zo diep dat men er alleen zwemmend overheen kon. Toen vroeg hij: `Hebt u dat gezien, mensenkind?' Daarop liet hij mij teruggaan langs de oever van de rivier. En op de terugweg zag ik aan beide oevers overal bomen staan. Hij zei: Dit water stroomt door het oostelijk deel van het land naar de Araba, mondt uit in de Zoutzee en maakt het water van de zee gezond. De rivier brengt leven overal waar hij stroomt, het wemelt er van dieren.  Aan beide oevers van de rivier groeien allerlei vruchtbomen; hun bladeren verdorren niet en ze zijn nooit zonder vruchten. Elke maand dragen ze vruchten, omdat het water dat ze voedt uit het heiligdom komt. De vruchten zijn eetbaar en de bladeren hebben geneeskracht."
(EzekiŽl 47)