De Ballingschap
Het noordrijk Samaria is al onder de voet gelopen door de AssyriŽrs. Ook het zuidrijk Juda wordt nu bedreigd. De koning van Assur, Sanherib, stuurde zijn opperbevelhebber, zijn hofmaarschalk en zijn intendent met een groot gevolg naar Jeruzalem. Ze moeten koning Hizkia van Juda overhalen zich over te geven aan de koning van Assur. Hij dreigde met uithongering zodat de bewoners hun eigen drek zouden moeten eten en hun eigen water zouden moeten drinken. Dat was dus geen vrolijk vooruitzicht. Geen wonder dat het volk in angst verkeerde. (2 Koningen 18)

Wat moet je doen als koning van een klein landje tegen de reus AssyriŽ Goede raad is duur. In dit geval niet echt. Profeten zijn meestal lastige mensen, omdat zij hun stem verheffen tegen onrecht dat er gedaan wordt, met name door de koning en zijn trawanten. Toch genoten ze groot aanzien in het oude IsraŽl, omdat ze namens God spraken. Zoals men wel zegt: nood leert bidden. Zo kon je je als koning ineen noodsituatie ook tot een profeet wenden. Koning Hizkia stuurde gezanten naar de profeet Jesaja. (2 Koningen 19)

Jesaja stelde de  gezanten gerust. De belagers gingen weer naar huis. Laat je dus geen angst aanjagen  door de godslasterlijke woorden van de intendant van de koning van AssyriŽ.
Zo gemakkelijk trokken de AssyriŽrs niet weg. Er moest eerst nog wel het een en ander gebeuren. De intendant van de AssyriŽrs liet het er niet bij zitten en probeerde nog een keer per brief Hizkia te overtuigen dat het geen zin had op Jahwe te vertrouwen. Hij moest zich maar gewoon overgeven, juist zoals zoveel volken al gedaan hadden. (2 Koningen 19)

Koning Hizkia wist zich geen raad met die brief en ging ermee naar de tempel. Hij wist het ook: nood leert bidden. In antwoord op het gebed van Hizkia, voorspelde de profeet Jesaja namens de Heer nogmaals dat alles in orde zou komen.
En  inderdaad. Het beleg werd verbroken. Volgens het verhaal zou een engel van de Heer 's nachts alle soldaten van het Assyrische leger gedood hebben.  (2 Koningen 19)
Een hele berg lijken was het gevolg en het beleg was gebroken. Bovendien werd de Assyrische koning Sanherib  vermoord door zijn twee zoons, en de macht van het rijk begon te tanen. Koning Hizkia werd ziek maar overleefde en regeerde nog vele jaren. Na hem werd Manasse op twaalfjarige leeftijd koning maar hij was niet trouw aan Jahwe en ging afgoden vereren. Ook Amon die na Manasse kwam, maakte er een puinhoop van. Hij werd door zijn eigen hovelingen vermoord. Josia volgde hem op. Josia probeerde orde op zaken te stellen  (2 Koningen 20 en 21)

Onder koning Josia was er een geestelijke opleving in Juda dank zij het boek van de wet, dat gevonden werd. Maar het bleef rommelen. Bovendien ontrstond er in het oosten een nieuwe grootmacht: BabyloniŽ, een machtig rijk met grote expansiedrift. Terwijl Jojakim koning van Juda was, kwam Nebukanessar in actie. Hij stuurde Chaldese, Aramese, Moabietische en Ammonietische benden naar Juda. Met al die lui voor de poort vond Jojakim het maar beter zich over te geven. (2 Koningen 22 en 23)

Koning Jojakim, de voornaamsten van het land  en duizenden anderen werden wegevoerd naar Babel. Vandaar de naam Babylonische ballingschap. Deportatie van volken was in die tijd een gewoon middel om alles onder controle te houden en opstanden van bezette gebieden te voorkomen.. Zo waren al eerder in het Noordrijk de meeste mensen weggevoerd en deels vervangen door mensen uit andere delen van het rijk. In het Noordrijk woonden tien stammen, die bekend zijn geworden als de tien verloren stammen van IsraŽl. Ditzelfde gebeurde nu ook in Juda, het Zuidrijk. Het grote verschil is wel dat de mensen uit Juda na verloop van tijd weer naar huis konden terugkeren. Die uit het Noordrijk zijn nooit meer teruggekomen . (2 Koningen 24)


Niet alleen mensen werden meegevoerd maar ook alle kostbaarheden die ze konden vinden in de tempel en het paleis. Alles werd als oorlogsbuit  meegevoerd naar Babel.
De ballingschap was voor de meesten een heel traumatische ervaring. Het was een soort nieuwe slavernij, juist zoals eerder in Egypte.
(2 Koningen 24 en 25)

Toch was het niet allemaal kommer en kwel. Veel ballingen konden een goed bestaan opbouwen, ook al waren ze ver van huis.
In het boek DaniŽl wordt verteld over enkele jonge mannen die opgeleid worden tot koninklijke dienaren. Die opleiding omvatte cursussen in de taal, literatuur en cultuur van BabyloniŽ,  DaniŽl en zijn vrienden wilden geen onrein voedsel eten en vroegen om een dieet van allen groente en water.. Daarna zagen ze er nog gezonder uit. (DaniŽl 1)

Het boek DaniŽl staat in de lijst van bijbelse boeken een heel eind verder op maar het gaat over de tijd van de Babylonische ballingschap. Lang heeft men gedacht dat dit boek  geschreven zou zijn in de zesde eeuw voor Christus, maar taalanalyse plaatste deze teksten veel en veel later. Met het gevolg dat diverse zogenaamde voorspellingen eigenlijk constateringen achteraf waren.
Over DaniŽl en zijn vrienden worden  een aantal sterke verhalen verteld, legendes die duidelijk moeten maken dat de God van IsraŽl met hen is. Want de God van IsraŽl heeft niet alleen macht in Jeruzalem maar overal ter wereld.

De vier jongelui kregen andere namen. In hun eigen namen was hun god aanwezig, in hun nieuwe namen was de de afgod van BabyloniŽ. DaniŽl tekent "God is mijn rechter", zijn nieuwe naam was Beltesassar en die naam betekent "Bel beschermt zijn leven". Hun leerperiode kent al meteen conflicten tussen de verschillende godsdiensten en culturen. Met name DaniŽ; bleek een hele slimme knaap te zijn die het ver zou schoppen, met name ook door zijn gave om dromen te kunnen uitleggen.

Dromen werden in de oude tijd vaak gezien als boodschappen van God, en daarom was het heel belangrijk om de droom te verklaren. Koning Nebukadnessar wilde niet dat zijn wijze mannen hun eigen interpretatie zouden geven. Daarom moeten ze de droom zien, zonder dat het hun verteld wordt. Dat lukt dus niet. Alleen DaniŽl krijgt door God de inhoud van de droom onthuld en hij kan zo de droom interpreteren.
DaniŽl gaf  duidelijk aan dat het machtige rijk van Nebukadnessar toch zijn zwakke plekken had en dus na verloop van tijd uit elkaar zal vallen. De steen is Gods koninkrijk die heel de wereld zal omvatten. De koning is zeer onder de indruk en DaniŽl krijgt promotie. (DaniŽl 2)

Maar de strijd tussen de heidense godsdienst en de trouw aan de God van IsraŽl gaat door. De koning had een gouden beeld opgericht en iedereen moest dit aanbidden. Sadrak, Mesak en Abednego weigerden dit te doen. Ze werden gekleed en al, met mantel, rok en muts in de oven geworpen die zevenmaal heter dan normaal gestookt was.
De drie jonge mannen die de vuuroven overleefden kregen eerherstel. Nebukadnessar liet nu hun aanklagers in het vuur gooien en hij eerde de God van IsraŽl die dit wonder verricht had.   (DaniŽl 3)

Koning Belsassar, de zoon van Nebukadnessar, richtte eens een groot feestmaal aan en hij liet daarvoor alle gouden en zilveren vaatwerk ui de tempel van Jeruzalem halen. Daar moesten zijn rijksgroten, zijn vrouwen en bijvrouwen uit drinken. En bij het drinken vereerden zij de goden van goed en zilver, van brons, ijzer, hout en steen. Toen gebeurde er iets bijzonders. Een hand schreef woorden op de wand. (DaniŽl 5


Iedereen was helemaal van slag, de koning voorop. Hij schrok zich een hoedje en wist zich geen raad. Toen kwam de koningin binnen en die wist wel raad.  Zij liet DaniŽl komen, want die stond bekend als iemand die dromen en dergelijke kon uitleggen.Enzo gebeurde het ook. (Daniel 5)







Het "teken aan de wand" is opnieuw een waarschuwing dat de dagen van het Babylonische rijk geteld zijn. DaniŽl functioneert hier weer zo'n beetje als de spreekbuis van God.
De woorden van deze waarschuwing gaan al heel gauw in vervulling. De Perzen vallen nog diezelfde nacht BabyloniŽ aan en ze doden Belsassar. Dit gebeurde in het jaar 539 vůůr Christus.
Darius was de opvolger, hij ging het land besturen
(DaniŽl 5)

Darius stelde 120 satrapen aan over zijn rijk. Boven deze figuren stelde hij drie rijksbestuurders aan, een van hen was DaniŽl.
DaniŽl was verreweg de slimste van allemaal, dus werden de andere jaloers. Ze lieten de koning een wet uitvaardigen dat er tot geen elke god, behalve tot de koning gebeden mocht worden. Ze wisten dat DaniŽl altijd tot zijn eigen god bad.
(DaniŽl 6)



Zoals te verwachten was, wordt DaniŽl betrapt op het bidden tot de god van zijn vaderen. Zijn tegenstanders  grijpen hun kans om zich van hem te ontdoen. De koning moet wel even slikken, want hij mag de schrandere DaniŽl wel, maar wet is wet en gebod is gebod en staat hij toe dat DaniŽl gestraft wordt.
Hij wordt in de leeuwenkuil gegooid, waar normaal niemand levend uitkomt.
(DaniŽl6)



De tegenstanders van DaniŽl dachten dat zij de slag gewonnen hadden. Maar ze hadden verkeerd gedacht. DaniŽl die op God vertrouwde, kreeg in de leeuwenkuil hulp van een engel. Er werd hem geen haar gekrenkt. De leeuwen hebben later  hun buikje volgegeten met de belagers van DaniŽl. Deze kreeg steeds hogere functies in BabyloniŽ. Hij had regelsmatig visioenen die hij utistekend wist uit te leggen. Meestal waren ze nadeling voor de zittende vorst. (DaniŽl 6)

 Een van de meest bekende verhalen uit het boek DaniŽl is dat van Susanna. Ze was de vrouw van Jojakim, die het in BabyloniŽ gemaakt had. Hij was een vooraanstaand man met een groot huis en een park rond het huis. Susanna was een schoonheid en ook een diep gelovige vrouw. Ze ging graag wat wandelen in het park. Daarbij kwam het op een keer tot een probleempje.
De twee "oude snoepers" in het park waren ouderlingen, mensen die een belangrijke rol speelden in de joodse samenleving daar in Babylon. Ze stond hoog aangeschreven. Maar zo blijkt wel, de buitenkant zegt niet alles, want ze begingen een grote misdaad tegenover Susanna. (DaniŽl 13)

DaniŽl maakt zijn naam als wijze mens weer eens waar. Hij weet de twee bedriegers te ontmaskeren.
 Het ging de meeste IsraŽlieten in BabyloniŽ niet zo slecht, ook al hadden velen heimwee naar hun thuisland. Op godsdienstig gebied gaf deze tijd een verdieping van hun geloofshouding te zien. In die tijd ontstaat de Talmoed, een grote verzameling joodse wetten en verhalen, die ook later een grote rol zullen spelen naast de Tenach (dat zijn de officiŽle bijbelboeken Genesis, Exobus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium).  (DaniŽl 15)